Belanghebbende, een autobedrijf, kreeg een naheffingsaanslag van € 990 opgelegd voor een personenauto. De inspecteur vernietigde deze naheffingsaanslag bij bezwaar, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en kende belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 1.500 toe wegens schending van de hoorplicht. Daarnaast werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
In hoger beroep heeft het gerechtshof het oordeel van de rechtbank bevestigd. Het hof oordeelde dat de inspecteur de hoorplicht inderdaad heeft geschonden door belanghebbende niet in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, maar dat deze schending niet heeft geleid tot nadeel voor belanghebbende. De rechtbank heeft de zaak daarom terecht niet terugverwezen.
Het hof voegde toe dat de inspecteur de wettelijke rente over de immateriële schadevergoeding van € 1.500 moet vergoeden vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de rechtbank tot aan de dag van volledige betaling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, en de inspecteur werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten in hoger beroep of het griffierecht.