Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.PETERSON ROTTERDAM B.V., voorheen PETERSON AGRICARE & BULK LOGISTICS B.V.,
PETERSON PROJECTS B.V., voorheen PETERSON ROTTERDAM (BULKEXPEDITIE) B.V.,
1.ESSENT ENERGIE VERKOOP NEDERLAND B.V.,
ESSENT N.V., voorheen genaamd RWE SUPPLY & TRADING NETHERLANDS B.V., voorheen genaamd ESSENT ENERGIE TRADING B.V.,
ESSENT BUSINESS DEVELOPMENT B.V.,
- EBS vordert in conventie vergoeding door Peterson c.s. en Essent van de door haar geleden schade aan de silo (voor zover niet verzekerd) en de gemaakte kosten, op de grond dat de brand is ontstaan door broei in de houtpellets terwijl Peterson c.s. en Essent haar ten onrechte niet hebben gewaarschuwd voor het (verhoogde) risico hierop. Tevens vordert EBS dat Peterson c.s. haar zullen vrijwaren voor aanspraken van Essent die het bedrag van de beperkte aansprakelijkheid van EBS op grond van haar algemene voorwaarden te boven gaan;
- Peterson c.s. en Essent vorderen in reconventie vergoeding door EBS van de schade aan de houtpellets en de door hen gemaakte kosten, op de grond dat EBS toerekenbaar tekort is geschoten in haar zorgplicht als bewaarnemer van de houtpellets, en daarmee tevens onrechtmatig heeft gehandeld. Peterson c.s. en Essent stellen dat als gevolg van achterstallig onderhoud van de silo er regenwater in de silo kon komen waardoor de pellets nat zijn geworden, hetgeen de oorzaak van de broei is geweest. Verder heeft EBS de temperatuur van de opgeslagen houtpellets niet althans onvoldoende doelmatig gecontroleerd, waardoor de broei niet tijdig is ontdekt en zich heeft kunnen uitbreiden tot een brand.
In reconventie heeft de rechtbank de vorderingen van Peterson c.s. op EBS gedeeltelijk toegewezen, in die zin dat EBS is veroordeeld tot betaling aan Peterson ABL van een bedrag van € 67.067,03 (3 x de ingevolge artikel 21.2 EBS-voorwaarden beperkte aansprakelijkheid van € 22.689,01 per opdracht). De vorderingen van Essent op EBS zijn afgewezen.
Peterson c.s., Essent en EBS hebben van het vonnis van de rechtbank (incidenteel) hoger beroep ingesteld.
Het hof verwerpt bovenstaand betoog. Dat Peterson Bulk Logistics kennelijk blijkens informatie uit het handelsregister zowel de handelsnaam was van Peterson ABL als van Peterson RB, is onvoldoende voor de conclusie dat niet Peterson ABL maar Peterson RB de contractspartij was van EBS. Het antwoord op de vraag of Peterson ABL deze handelsnaam vóór 1 januari 2004 feitelijk gebruikte, kan gelet op de door de rechtbank – in hoger beroep onbestreden – gehanteerde (Haviltex)maatstaf als niet relevant in het midden blijven. Peterson heeft immers niet gemotiveerd en onderbouwd gesteld dat de handelsnaam Peterson Bulk Logistics in de betreffende periode wel werd gebruikt door Peterson RB, en dat EBS dat wist. Evenmin heeft Peterson andere feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan EBS had moeten begrijpen dat Peterson RB haar opdrachtgever was. Uit het feit dat de facturen betaald werden door Peterson ABL, waarvan Peterson Bulk Logistics een handelsnaam was, mocht EBS – mede gelet op de overige door de rechtbank genoemde omstandigheden – redelijkerwijs afleiden dat Peterson ABL haar wederpartij was. Peterson c.s. hebben in dit verband geen toelichting of verklaring gegeven waarom Peterson ABL de facturen heeft betaald, terwijl Peterson RB de opdrachtgever zou zijn.
- r.o. 3.15-3.16: De brand is ontstaan door broei in de houtpellets. Het gevaar van broei is eigen aan de opslag van biomassa. Ingevolge artikel 7:601 lid 3 BW Pro komt de schade van EBS daarom in beginsel voor rekening van Peterson ABL als bewaargever van de biomassa, tenzij Peterson ABL bewijst dat EBS het risico van broei bij het aangaan van de overeenkomst impliciet of expliciet van Peterson ABL heeft overgenomen. Gesteld noch gebleken is dat EBS dit risico van Peterson ABL heeft overgenomen.
- r.o. 3.17-3.18: Peterson ABL heeft geen enkele informatie aan EBS verstrekt over de aan de opslag van de houtpellets verbonden risico’s, waaronder het risico van broei. Derhalve is Peterson ABL in beginsel tekortgeschoten in haar uit artikel 8.1 EBS-voorwaarden voortvloeiende informatieverplichtingen. Het verweer van Peterson ABL dat EBS als professionele opslaghouder bekend was of behoorde te zijn met het risico van broei bij de opslag van biomassa ontslaat Peterson ABL mogelijk van haar verplichtingen onder artikel 8.1 van de EBS-voorwaarden om EBS voor dit risico te waarschuwen, maar niet van haar risicoaansprakelijkheid onder artikel 7:601 lid 3 BW Pro.
- r.o. 3.19-3.20: Deze overwegingen bevatten een korte weergave door de rechtbank van het verweer van Peterson ABL dat de broei, althans de brand, veroorzaakt is door een tekort aan zorg van EBS, gelegen in a) de slechte staat van silo 30 waardoor regenwater de silo kon binnendringen en de houtpellets vochtig zijn geworden, en b) het gebrek aan regelmatige en doelmatige temperatuurcontroles door EBS van de opgeslagen houtpellets. Peterson ABL stelt zich op het standpunt dat EBS onder die omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep toekomt op de beperkingen van aansprakelijkheid in de EBS-voorwaarden. EBS heeft één en ander gemotiveerd betwist, en zich beroepen op de exoneratieclausule in haar algemene voorwaarden.
- r.o. 3.21.1-3.21.3: Met betrekking tot de schade aan de silo vat de rechtbank het verweer van Peterson ABL dat de brand is veroorzaakt door een tekort aan zorg van EBS, op als een beroep van Peterson ABL op eigen schuld van EBS in de zin van artikel 6:101 BW Pro. Daarbij liggen stelplicht en bewijslast bij Peterson ABL. De in artikel 21 van Pro de EBS-voorwaarden opgenomen exoneratieclausule beschermt EBS niet voor wat betreft het eigen-schuld-verweer van Peterson ABL.
- r.o. 3.21.4: Nu in ieder geval vast staat dat Peterson ABL regelmatig op het terrein van EBS en bij silo 30 kwam, terwijl gesteld noch gebleken is dat Peterson ABL zich ooit bij EBS heeft georiënteerd over de toestand van de biomassa in de silo die daar geruime tijd lag opgeslagen, betekent dit naar het oordeel van de rechtbank dat tussen partijen de verantwoordelijkheid voor de zorg voor de opgeslagen houtpellets niet uitsluitend bij EBS lag.
- r.o. 3.21.5 – 3.21.7: EBS was bekend met het risico van broei bij de opslag van biomassa. Ingevolge de voorschriften in de milieuvergunning was EBS gehouden de temperatuur van de opgeslagen biomassa regelmatig en doelmatig te controleren. Als zij dat had gedaan, zou de schade zijn uitgebleven, althans in elk geval beperkt. Nu [hoofd operationele dienst] , hoofd operationele dienst van EBS, bekend was met het risico van broei en desalniettemin geen maatregelen trof om de temperatuurontwikkeling van de biomassa in silo 30 op een adequate wijze te monitoren, is er sprake van voor het ontstaan van de brand relevante schuld van EBS, althans van haar leidinggevende ondergeschikte [hoofd operationele dienst] . Dat silo 30 niet was uitgerust met apparatuur waarmee een doelmatige temperatuurmeting mogelijk was kan enerzijds worden verweten aan EBS, maar anderzijds heeft Peterson ABL silo 30 voorafgaande aan de opslag op geschiktheid onderzocht en akkoord bevonden, zonder een opmerking te maken over de afwezigheid van zodanige apparatuur.
- r.o. 3.21.8 Peterson ABL is haar verplichtingen onder artikel 8.1 van de EBS-voorwaarden niet nagekomen, nu zij EBS niet heeft gewaarschuwd voor het risico op broei.
- r.o. 3.21.9 -3.22: de rechtbank oordeelt, gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden, dat 1/3 van de schade aan de silo voor rekening van EBS dient te blijven en dat 2/3 van de schade van EBS voor rekening van Peterson ABL komt.
Volgens Peterson ABL waren de houtpellets op het moment van de opslag in silo 30 droog, en dus niet gevoelig voor broei, en moet de oorzaak van de broei gelegen zijn geweest in het feit dat silo 30 als gevolg van slecht onderhoud niet waterdicht was waardoor regenwater de silo kon binnendringen en de pellets nat zijn geworden. Zij onderbouwt haar stellingen met een expertiserapport van [deskundige 1] & [deskundige 1] (hierna: rapport [deskundige 1] & [deskundige 1] ), en verwijst daarnaast naar het door Essent overgelegde expertiserapport van [deskundige 2] & Associates BV (hierna: rapport [deskundige 2] ).
EBS betwist dat de houtpellets bij de opslag droog waren. Zij wijst er op dat uit de certificaten van het laden en lossen van de houtpellets bij het vervoer per schip vanuit Canada blijkt dat een deel van de houtpellets is blootgesteld aan regen. Verder betwist EBS dat de silo niet waterdicht was. Volgens EBS is de broei ontstaan als gevolg van de omstandigheden dat sprake was van een langdurige en niet homogene opslag van een enorme hoeveelheid houtpellets, die als gevolg van regen bij het laden/lossen niet geheel droog waren bij de aanvang van de opslag, waarbij de laatste partij pellets bovendien het zeer broeigevoelige schors bevatte en warmer en vochtiger was dan de reeds eerder opgeslagen pellets. EBS onderbouwt haar stellingen met een expertiserapport van ISMA (hierna: ISMA-rapport) en met een verwijzing naar het (in opdracht van energieleveranciers uitgebrachte) KEMA-rapport uit 2001. In het ISMA-rapport is als mogelijke oorzaak voor het ontstaan van de broei vermeld dat de barkpellets in de silo zijn gelost, terwijl de bovenlagen van de reeds veel eerder opgeslagen white pellets als gevolg van absorptie van vocht uit de atmosfeer en/of condensatie van vocht in de silo (druppelen van condensaat op steeds dezelfde plek) nat waren geworden. De bark pellets zijn samengesteld op basis van schors. Dit schors kon aan de grenslaag vocht uit de white pellets absorberen, waardoor warmte is ontstaan en broei is gestart.
Vast staat dat sprake was van een langer dan gebruikelijke opslag van een grote hoeveelheid pellets, als gevolg van een ongeval in de Amercentrale waardoor Essent enige tijd geen pellets kon afnemen. Dat een lange duur van de opslag zonder bijkomende factoren nog niet leidt tot broei, zoals Essent aanvoert, betekent niet dat de duur van de opslag niet heeft bijgedragen aan het risico van broei. Voorts staat vast dat de houtpellets die in silo 30 waren opgeslagen geen homogene massa vormden, doordat sprake was van drie verschillende partijen houtpellets waarvan de derde partij pas ongeveer een half jaar later dan de twee andere partijen is opgeslagen en bovendien bark pellets betrof, die het broeigevoelige schors bevatten. Het verweer van Essent dat de niet-homogene opslag slechts relevant zou kunnen zijn indien verschillende soorten product worden gemengd, wordt verworpen. Hiervoor kan geen steun worden gevonden in het KEMA-rapport of anderszins in de processtukken. Peterson ABL stelt dat het percentage schors in de bark pellets maximaal 20% betrof, hetgeen EBS bij gebrek aan wetenschap betwist. Wat hier ook van zij, uit het KEMA-rapport kan naar het oordeel van het hof redelijkerwijs niet anders worden geconcludeerd dan dat de aanwezigheid van schors in de pellets, indien gecombineerd met de aanwezigheid van vocht, een aanmerkelijk verhoogd risico op broei betekende.
Het hof verwerpt de grief. Het enkele feit dat EBS toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar teruggaveplicht van de houtpellets, brengt nog niet mee dat zij haar eigen schade aan de silo niet geheel of gedeeltelijk op Peterson ABL kan verhalen. Voor de conventionele vordering van EBS op Peterson ABL speelt artikel 7:605 lid 4 BW Pro geen rol.
Voor zover Essent met deze grief mede beoogt te klagen over het oordeel van de rechtbank dat EBS ingevolge artikel 7:608 lid 2 BW Pro ten opzichte van Essent ET niet verder aansprakelijk is dan zij is ten opzichte van Peterson ABL, verwerpt het hof de grief, nu dit oordeel van de rechtbank juist is. Voor het overige wordt de beoordeling van deze grief, net als grief I, aangehouden.
Het hof stelt voorop dat deze grief geen behandeling behoeft indien het beroep van Peterson ABL op vernietiging van de algemene voorwaarden (principale grief I van Essent) slaagt. Om proceseconomische redenen overweegt het hof reeds thans het volgende.
Wat betreft het verwijt van Essent dat EBS tekort is geschoten in het doen van regelmatige en doelmatige temperatuurmetingen, verwijst het hof naar hetgeen is overwogen en beslist in r.o. 22 van dit arrest in de zaak Peterson cs/EBS. Wat betreft het verwijt van Essent dat silo 30 niet waterdicht was, als gevolg waarvan de houtpellets nat konden worden, zal het hof (naast Peterson ABL) ook Essent toelaten tot het bewijs van deze stelling. Het derde verwijt van Essent tenslotte, dat de blusinstallatie van EBS niet toereikend was, wordt verworpen nu EBS één en ander gemotiveerd heeft betwist en Essent onvoldoende heeft gemotiveerd en onderbouwd dat een betere blusinstallatie zou hebben geleid tot een kleinere schade.
De verdere beoordeling van deze grief wordt aangehouden in afwachting van de bewijslevering. Daarbij wijst het hof er op dat, indien het hof in de zaak Peterson cs/EBS tot het oordeel komt dat EBS zich jegens Peterson ABL niet op haar algemene voorwaarden kan beroepen, ditzelfde zal gelden in de verhouding EBS/Essent.
De grief slaagt. Voor zover de vorderingen van Peterson ABL en Essent ET allebei toewijsbaar zijn, is er geen reden om toewijzing van de vordering van Essent ET achterwege te laten. Wel is het zo dat, voor zover het gaat om dezelfde schadeposten, EBS bij betaling aan ofwel Peterson ABL ofwel Essent ET gekweten is.
De toelichting op de grief bevat de volgende klachten:
- gelet op de mededeling van Peterson bij het tot stand komen van de overeenkomst van bewaarneming dat het risico van broei verwaarloosbaar was, en de verklaring van [naam] in de strafzaak dat broei niet mogelijk was en dat dit thema hem niet bezig hield, is het onduidelijk waarom EBS zich wel met broei van de houtpellets bezig zou moeten houden en met het risico van broei in houtpellets bekend zou moeten zijn;
- van vocht dat kon binnendringen in de silo tijdens de opslag is geen sprake geweest. Broei is een complexe materie waarbij diverse factoren een rol spelen, waarvan vocht er één is.
- EBS heeft geheel voldaan aan de verplichtingen die op grond van de overeenkomst van bewaarneming met Peterson ABL en op grond van de milieuvergunning op haar rustten. Daarom is duidelijk dat de schade is ontstaan door het gevaar eigen aan de pellets, gezien in samenhang met de door Essent/Peterson gewenste niet-homogene opslag, de lange duur van de opslag en de aanzienlijke omvang van de opslag. Essent is voor de schade die voortvloeit uit de aard van het product aansprakelijk, temeer daar zij zich wel van de risico’s van broei bewust was. Van een onvoldoende controleren van de temperatuur van de biomassa aan de zijde van EBS was geen sprake.
- bepaalt dat, indien Peterson ABL en Essent getuigen willen doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. J.M.T. van der Hoeven-Oud, op
- bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden juli tot en met oktober van 2018, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;