Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2018:4032

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
6 oktober 2018
Publicatiedatum
25 augustus 2020
Zaaknummer
BK-18/00545
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op teruggaaf belasting personenauto bij directe export buiten EU/EER

Belanghebbende stelde op 9 februari 2017 een personenauto op haar naam met een Nederlands kenteken. De auto werd op 10 februari 2017 uit Nederland uitgeschreven en op 13 februari 2017 in Duitsland geregistreerd. Vervolgens verkocht een aan belanghebbende gelieerde vennootschap de auto op 14 februari 2017 aan een persoon woonachtig in Albanië, die de auto rechtstreeks vanuit Nederland naar Albanië bracht.

Belanghebbende verzocht om teruggaaf van belasting personenauto’s en motorrijwielen (BPM) op grond van artikel 14a, eerste lid, Wet BPM 1992. De Inspecteur wees dit verzoek af, wat door de rechtbank werd bevestigd. De rechtbank oordeelde dat de teruggaafregeling vereist dat het voertuig daadwerkelijk naar een EU/EER-lidstaat wordt vervoerd, wat hier niet het geval was.

Het Gerechtshof Den Haag bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. Het hof stelde dat de tekst en bedoeling van de teruggaafregeling duidelijk maken dat de auto in het kader van de registratie naar een andere lidstaat van de EU of een EER-staat moet worden vervoerd. Omdat de auto rechtstreeks naar Albanië werd geëxporteerd, ontbrak aan deze voorwaarde en was teruggaaf niet mogelijk.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het hof veroordeelde geen partij in de proceskosten. Het tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep is ingetrokken.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf BPM omdat de auto niet naar een EU/EER-lidstaat is vervoerd.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-18/00545

Uitspraak van 5 oktober 2018

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

en
de inspecteur van de Belastingdienst/Midden- en kleinbedrijf, kantoor Den Haag, de Inspecteur,
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 1 maart 2018, nr. SGR 17/6380.

Overwegingen

1.1.
Op 9 februari 2017 heeft belanghebbende een personenauto met het Nederlandse kenteken [XX-XX-XX] op haar naam gesteld. De Nederlandse registratie van de auto is op 10 februari 2017 beëindigd. Op 13 februari 2017 is de auto in Duitsland ingeschreven met het reguliere kenteken [XX XXXXX] . Op 14 februari 2017 heeft [A] B.V., een aan belanghebbende gelieerde vennootschap, de auto verkocht aan een in Albanië woonachtig persoon, die de auto vervolgens rechtstreeks vanuit Nederland heeft overgebracht naar Albanië.
1.2.
Belanghebbende heeft de Inspecteur op grond van artikel 14a, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 verzocht voor het buiten Nederland brengen van de auto een teruggaaf van belasting van personenauto’s en motorrijwielen van € 2.563 te verlenen. Het teruggaafverzoek is op 24 februari 2017 bij de Inspecteur binnengekomen. Bij beschikking heeft de Inspecteur het verzoek afgewezen. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de beschikking gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep bij de Rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 333 is geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, overwegende: "(…) Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Inspecteur] echter toch terecht geen teruggaaf BPM aan [belanghebbende] verleend. Artikel 14a, eerste lid, van de Wet BPM, in samenhang bezien met de hiervoor geciteerde wetsgeschiedenis en gelet op doel en strekking van de bepaling, gaat er immers vanuit dat het voertuig (ook) feitelijk buiten Nederland wordt gebracht en wel naar het EU/EER-land waar het kentekenbewijs wordt afgegeven. Nu vaststaat dat het voertuig niet naar een dergelijk land, maar rechtstreeks vanuit Nederland naar Albanië, is geëxporteerd, heeft [belanghebbende] niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 14a, eerste lid, van de Wet BPM en aldus geen recht op teruggaaf van BPM. (…)"
1.4.
Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 508 is geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 21 september 2018. Partijen zijn verschenen.
1.6.
In geschil is of belanghebbende recht heeft op de door haar verzochte teruggaaf.
1.7.
De Rechtbank heeft naar het oordeel van het Hof met juistheid beslist dat belanghebbende geen recht op teruggaaf van belasting heeft. Uit de tekst en kennelijke bedoeling van de in geding zijnde bepaling is af te leiden dat voor de toepassing van de teruggaafregeling in elk geval is vereist dat de auto in het kader van de registratie "in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte" wordt vervoerd naar die staat. Omdat hier, naar tussen partijen vaststaat, niet aan die eis is voldaan, mist de faciliteit toepassing.
1.8.
Het hoger beroep is ongegrond.
1.9.
Het Hof heeft geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 5 oktober 2018 in het openbaar uitgesproken.
aangetekend aan
partijen verzonden:
Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kanbinnen zes wekenna de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

-
- de naam en het adres van de indiener;
-
- de dagtekening;
-
- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.