Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest in kort geding van 23 januari 2018
[appellante] ,
[geintimeerde] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Grief 1klaagt dat de voorzieningenrechter is uitgegaan van onjuiste, althans onvolledige feiten. Uit de toelichting op grief 1 blijkt niet dat de door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten onjuist zouden zijn, doch slechts dat zij volgens [appellante] onvolledig zijn. Ook waar zij klaagt dat de voorzieningenrechter in r.o. 2.3 de brief van [geintimeerde] aan het bestuur van de stichting [de stichting] onjuist samenvat, gaat het [appellante] erom dat de samenvatting te kort is. De grief faalt omdat het de voorzieningenrechter vrijstaat slechts die feiten te vermelden die tussen partijen vaststaan en die hij nodig acht voor de beslechting van de zaak.
Grief 2heeft betrekking op de door [appellante] gestelde uitlatingen van [geintimeerde] op [datum] 2016 in [... 1] te Amsterdam. Deze stellingen hielden, kort weergegeven, het volgende in. Na afloop van de lezing ging [geintimeerde] naar [betrokkene] , die in het gezelschap was van [appellante] en een journalist. Tegen [betrokkene] riep zij: “Jullie doen alsof je voor vrouwen opkomt, maar vertellen niet wat je mij aandoet” (inleidende dagvaarding, onder 2.14). Toen [betrokkene] wegliep, is [geintimeerde] op [appellante] en de journalist toegelopen en heeft op luide toon de beschuldiging geuit dat [appellante] ‘aan polygamie doet’ en ‘jij doet het met mijn man’ (inleidende dagvaarding, onder 2.15). [geintimeerde] liep vervolgens naar [betrokkene] , die in het gezelschap stond van drie personen, en zei tegen hen dat [appellante] aan polygamie doet en dat [betrokkene] haar slaat (inleidende dagvaarding, onder 2.16).
Grief 2faalt derhalve.
grief 3betoogt [appellante] dat de voorzieningenrechter ten onrechte is voorbijgegaan aan de voorwaardelijke, subsidiaire vordering op de grond dat de gestelde gebeurtenissen op [datum] 2016 niet aannemelijk zijn geworden, zodat er geen aanleiding bestaat voor beantwoording van de vraag of de afspraken in de Verklaring rechtens afdwingbaar zijn. Volgens [appellante] had de voorzieningenrechter, nu de (primaire) vordering tot nakoming strandde, de subsidiaire vordering moeten beoordelen en moeten overgaan tot de gevraagde belangenafweging.