ECLI:NL:GHDHA:2018:571
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- P.B. Kamminga
- O.I.M. Ydema
- E.C. Punselie
- Rechtspraak.nl
Schorsing uitvoerbaarverklaring partneralimentatie in hoger beroep na wijziging kinderalimentatie
De man en vrouw zijn gescheiden ouders van een minderjarige. Na wijziging van de kinderalimentatie door de rechtbank Rotterdam, waarbij de partneralimentatie ongewijzigd bleef, verzocht de man om schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van zijn alimentatieverplichtingen in afwachting van het hoger beroep.
De man stelde dat zijn inkomen aanzienlijk was gedaald en dat beslaglegging op zijn inkomen leidde tot een financiële noodsituatie, waardoor hij niet aan zijn verplichtingen kon voldoen. De vrouw betwistte dit en stelde dat de man onvoldoende bewijs leverde van zijn financiële situatie en dat het belang van de minderjarige en haar eigen belangen bij voortzetting van de alimentatie zwaarder wegen.
Het hof overwoog dat schorsing alleen mogelijk is als het belang van de verzoeker zwaarder weegt dan dat van de wederpartij en dat de rechtbank in eerste aanleg geen gemotiveerde beslissing had gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Gezien de concrete feiten en omstandigheden stelde het hof vast dat de man door de beslaglegging in financiële nood verkeert en schorst het de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de partneralimentatie. Tevens stelde het hof de partneralimentatie op nihil voor de duur van de procedure in hoger beroep.
Uitkomst: De uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de partneralimentatie wordt geschorst en de partneralimentatie wordt voorlopig op nihil gesteld totdat het hoger beroep is beslist.