Belanghebbende, een vennootschap onder firma, heeft een Ford Mustang GT V8 Coupé geïmporteerd en BPM aangegeven op basis van een CO2-uitstoot en handelsinkoopwaarde die door de Inspecteur werden betwist. De Inspecteur stelde een naheffingsaanslag BPM vast op basis van een hogere CO2-uitstoot en andere referentievoertuigen, wat leidde tot een verhoging van de belasting en oplegging van een boete.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de Inspecteur terecht was uitgegaan van de CO2-uitstoot vermeld op het Duitse kentekenbewijs en dat de gebruikte referentievoertuigen passend waren. Ook werd de boete van 10% van de nageheven belasting als terecht beoordeeld.
In hoger beroep bevestigt het Hof dat de Inspecteur op juiste gronden is uitgegaan van de hogere CO2-uitstoot en handelsinkoopwaarde, maar erkent een vermindering van de naheffingsaanslag vanwege een overeengekomen correctie. De boete wordt dienovereenkomstig verlaagd. Het Hof veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten en gelast vergoeding van griffierechten aan belanghebbende.
Het Hof wijst erop dat belanghebbende met alternatieve berekeningen geen juiste interpretatie van het BPM-regime geeft en dat het gebruik van een taxatierapport gebaseerd op een ander automodel onvoldoende is om schuldafwezigheid aan te tonen. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de naheffingsaanslag en boete worden aangepast.