ECLI:NL:GHDHA:2019:1274
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- A.H.N. Stollenwerck
- A.N. Labohm
- C.M. Warnaar
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake vaststelling kinder- en partneralimentatie bij echtscheiding
In deze zaak staat de vaststelling van kinder- en partneralimentatie centraal na de echtscheiding van partijen. De rechtbank had de man veroordeeld tot betaling van € 765,- per maand aan kinderalimentatie en € 2.000,- per maand aan partneralimentatie. De man ging hiertegen in hoger beroep en stelde dat hij geen draagkracht heeft om alimentatie te betalen vanwege een dalend inkomen en aanzienlijke schulden.
Het hof heeft de feiten overgenomen zoals vastgesteld door de rechtbank en heeft de behoefte van de minderjarige vastgesteld op € 392,- per maand. De behoefte van de vrouw werd bepaald op € 1.412,- netto per maand op basis van de hofnorm, waarbij werd aangenomen dat zij behoeftig is omdat zij een uitkering ontvangt.
De man heeft aangetoond dat zijn inkomen uit onderneming sterk is gedaald van € 31.509,- in 2016 tot € 5.725,- in 2017, mede door toenemende concurrentie en hoge kosten zoals franchisevergoedingen en leaseauto. Daarnaast heeft hij een negatieve kasstroom en een negatief eigen vermogen van circa € 25.000,-. Ook heeft hij aanzienlijke schulden bij verschillende schuldeisers. Het hof concludeert dat de man geen draagkracht heeft om alimentatie te betalen.
De verzoeken van de vrouw tot vaststelling van kinder- en partneralimentatie worden daarom afgewezen. Het hof bepaalt tevens dat de vrouw eventuele reeds ontvangen alimentatie niet hoeft terug te betalen vanwege het consumptieve karakter van deze betalingen.
Uitkomst: Het hof wijst de verzoeken tot vaststelling van kinder- en partneralimentatie af wegens het ontbreken van draagkracht bij de man.