Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.de rechtspersoon naar Singaporees recht
2. [appellante 2] B.V.,
3. [appellante 3] B.V.,
4. [appellante 4] ,
5. [appellante 5] ,
1.De Stalen Burcht B.V.,
3. Brassto SPD B.V.,
4. Brassto B.V.,
5. Brassto Coating B.V.,
6. Stichting Administratiekantoor Brassto,
7. [geïntimeerde 7] ,
8. [geïntimeerde 8] ,
grief 1 in incidenteel appel).
grief 3 in incidenteel appel). Weliswaar bestrijden De Stalen Burcht c.s. de geldigheid van die overdracht, maar voor het geval het hof de overdracht geldig zal achten, menen zij dat [appellante 3] geen belang heeft bij haar rechtsvordering en om die reden niet-ontvankelijk had dienen worden te verklaard.
grieven 1 en 3in het incidenteel beroep falen.
Grief 1van Hulotte c.s. klaagt dat in het bestreden vonnis ten onrechte geen vermelding is opgenomen van de inleidende dagvaarding, de akte houdende overlegging producties bij dagvaarding en de schriftelijke toelichting ter comparitie. Deze
grieffaalt, omdat in het incidentele vonnis van 6 januari 2016 is verwezen naar de dagvaarding en naar de daarin genoemde producties, in het proces-verbaal van de comparitie is verwezen naar de overgelegde spreekaantekeningen en in het bestreden vonnis voor het verloop van de procedure onder meer is verwezen naar het incidentele vonnis en het proces-verbaal. Tot een verdergaande vermelding was de rechtbank niet gehouden.
grief 2klagen Hulotte c.s. dat de rechtbank in het bestreden vonnis onder 2 bij de feiten niet heeft vermeld dat Hulotte c.s. zich hebben beroepen op het omzetverlies van [appellante 3] en het daardoor veroorzaakte liquiditeitstekort. Deze
grieffaalt, omdat de rechtbank bij de feiten slechts feiten vermeldt waarover tussen partijen geen discussie bestaat. Tot een vermelding als door Hulotte c.s. bedoeld, was de rechtbank niet gehouden.
grieven 3 en 4klagen Hulotte c.s. dat de rechtbank ten onrechte in 3.2 in verbinding met 3.3 van het bestreden vonnis en ook in 4.4 en 4.5, kort weergegeven, niet heeft laten uitkomen dat zij aan haar vorderingen in eerste aanleg mede ten grondslag heeft gelegd dat de onrechtmatige beslagen een omzetverlies en een liquiditeitstekort in het eerste kwartaal van 2010 tot gevolg hadden. Bij deze
grievenhebben Hulotte c.s. geen belang, aangezien zij – voor zover al juist is dat de genoemde onderdelen van het vonnis geen adequate weergave vormen van de door Hulotte c.s. in eerste aanleg betrokken stellingen – in elk geval in hoger beroep gelegenheid hebben gehad een en ander nogmaals en nader uiteen te zetten. Hetzelfde geldt voor
grief 5van Hulotte c.s., waarmee geklaagd wordt dat uit het bestreden vonnis, onder 4.6 en 4.7 niet blijkt dat Hulotte c.s. ter comparitie hebben gesteld separaat schade te hebben geleden bestaande uit het omzetverlies gedurende het eerste kwartaal 2010.
grief 10van Hulotte c.s. behandelen. Deze grief richt zich tegen de afwijzing van de vorderingen van Hulotte c.s., voor zover deze gebaseerd zijn op onrechtmatig handelen, dan wel misbruik van procesrecht, door te procederen op basis van een valselijk opgemaakt stuk. Volgens Hulotte c.s. heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat zij de bewijslast heeft. De bewijslast dient volgens Hulotte c.s. te worden omgekeerd, omdat [geïntimeerde 7] het bewuste stuk heeft kwijtgemaakt, of op zijn minst door (voorwaardelijk) opzet dan wel bewuste roekeloosheid is kwijtgeraakt. Deze (voorwaardelijk) opzet dan wel bewuste roekeloosheid staat volgens Hulotte c.s. gelijk aan een onrechtmatige daad van [geïntimeerde 7] , die op deze wijze voldoende persoonlijk ernstig verwijtbaar heeft gehandeld om persoonlijk aansprakelijk te worden gehouden.
grieffaalt. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat Hulotte c.s. de bewijslast dragen dat het beslag door Brassto SPD is gebaseerd op een door [geïntimeerde 7] valselijk opgemaakt stuk. Tussen partijen staat niet vast dat het stuk valselijk is opgemaakt. De omstandigheid dat het stuk niet meer beschikbaar is voor deskundigenonderzoek, is op zichzelf niet van invloed op de bewijslast en het bewijsrisico. Dat zou anders zijn als zou vaststaan dat [geïntimeerde 7] het stuk opzettelijk heeft kwijtgemaakt. Dat [geïntimeerde 7] het stuk opzettelijk heeft kwijtgemaakt, hebben Hulotte c.s. evenwel, tegenover de betwisting door De Stalen Burcht c.s., niet nader onderbouwd noch hebben zij daarvan bewijs aangeboden. Evenmin hebben Hulotte c.s. gemotiveerd gesteld en te bewijzen aangeboden dat [geïntimeerde 7] het stuk op andere wijze is kwijtgeraakt dan door De Stalen Burcht c.s. is verklaard. Uitgaande van die verklaring – kort gezegd: dat [geïntimeerde 7] het stuk is kwijtgeraakt als gevolg van inbraak in zijn auto toen hij het stuk, waarmee hij op weg was naar de handschriftdeskundige, met andere spullen even in de auto had achtergelaten om de hond uit te laten – ziet het hof onvoldoende grond om te oordelen dat [geïntimeerde 7] met (voorwaardelijk) opzet dan wel bewuste roekeloosheid heeft gehandeld.
in 2.6bedoelde stuk) in het vonnis van 20 april 2011 zijn afgewezen, volgt uit de verwerping van grief 10 echter dat niet vaststaat dat De Stalen Burcht c.s. zich bij het leggen van de beslagen van die onrechtmatigheid bewust zijn geweest of hadden moeten zijn.
grief 11betogen Hulotte c.s. dat niet alleen Brassto SPD als beslaglegger aansprakelijk is maar ook de overige geïntimeerden. Hulotte c.s. stellen zich daartoe op het standpunt dat vaststaat dat Brassto SPD is leeggehaald voordat de bewuste beslagen zijn gelegd en voorts dat zij het in de toelichting op grief 10 omschreven handelen van [geïntimeerde 7] – kort gezegd: het valselijk opmaken van een stuk en op basis daarvan beslag leggen – niet hebben tegengehouden en daaraan hebben meegewerkt. Aan deze
griefligt derhalve net als aan
grief 10het uitgangspunt ten grondslag dat er sprake is geweest van opzet, althans kwade trouw, aan de zijde van [geïntimeerde 7] en de overige geïntimeerden. Nu De Stalen Burcht c.s. gemotiveerd hebben betwist dat er sprake is geweest van opzet dan wel kwade trouw en ook dat Brassto SPD is leeggehaald, staat dit een en ander niet vast.
Grief 11faalt derhalve. Dat brengt mee dat Hulotte c.s. slechts aanspraak kan maken op schadevergoeding tegenover Brassto SPD en niet tegenover de andere geïntimeerden.
grieven 6 tot en met 9van Hulotte c.s. betreffen de kern van het geschil tussen partijen, te weten de vraag welke gevolgen de door Brassto SPD gelegde beslagen hebben gehad. Bij de beoordeling van deze grieven neemt het hof met de rechtbank (rov. 4.10, tweede zin) tot uitgangspunt dat tussen partijen vaststaat dat er in het eerste kwartaal van 2010 een liquiditeitstekort bij [appellante 3] is ontstaan, waar zij ook later nog de negatieve gevolgen van merkte.
Grief 6keert zich tegen de overweging dat Hulotte c.s. onvoldoende hebben onderbouwd dat dit liquiditeitstekort als een gevolg aan het beslag kan worden toegerekend, hetgeen wel op hun weg had gelegen nu het beslag op 6 maart 2010 is opgeheven en het faillissement dateert van 7 december 2010.
Grief 7keert zich tegen de overweging dat de correspondentie met IFN en (later) Deutsche Bank evenmin voldoende grondslag biedt voor het causaal verband tussen het beslag en het faillissement.
Grief 8betreft de vaststelling van de rechtbank dat ook de curator, na onderzoek, niet heeft geconcludeerd dat de boedel schade heeft geleden door het beslag.
Grief 9klaagt over de overweging dat Hulotte c.s. niet hebben gesteld dat zij ook op andere wijze dan als gevolg van het faillissement schade hebben geleden.
onder 4).
grieven 10 en 11) ook niet aansprakelijk is uit onrechtmatige daad. Volgens De Stalen Burcht c.s. moet die vraag ontkennend worden beantwoord. In de stellingen van Hulotte c.s. ligt evenwel besloten dat deze schade indirect ook door [appellante 2] is geleden (aldus uitdrukkelijk in de memorie van antwoord in incidenteel appel onder 9, maar ook al eerder in de spreekaantekeningen van mr. Bezmalinovic voor de comparitie in eerste aanleg, op blz. 2). Het hof zal er daarom vooralsnog van uitgaan – nu jegens [appellante 3] niet maar jegens haar moedermaatschappij [appellante 2] wel onrechtmatig is gehandeld en [appellante 2] schade kan hebben geleden in de vorm van gemiste dividenduitkeringen of een lagere waarde van de aandelen – dat die schade als schade van [appellante 2] voor vergoeding in aanmerking kan komen (HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:20178:1899, RvdW 2018/1115). Dit komt derhalve neer op een zekere relativering van het onderscheid tussen [appellante 2] en [appellante 3] .
onder 25), in het bijzonder dat van meet af aan veel te hoge kosten werden gemaakt aan salarissen, auto’s en huizen om (gelet op de omzet van slechts € 70.000 in 2009) een verantwoorde bedrijfsvoering mogelijk te doen zijn. Het hof houdt het erop dat Hulotte c.s. in de weerspreking door De Stalen Burcht c.s. aanleiding hebben gezien om hun vordering tot vergoeding van concrete schadebedragen in hoger beroep te verlaten en in plaats daarvan te volstaan met een vordering tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat. Daarmee kunnen zij evenwel niet voorkomen dat de door De Stalen Burcht c.s. tot verweer opgeworpen stellingen bij gebrek aan (nadere) betwisting door Hulotte c.s. als vaststaand moeten worden beschouwd. Hulotte c.s. kunnen zich niet eenzijdig terugtrekken uit het door henzelf aangegane partijdebat.
grief 9nog hebben opgemerkt over kansschade en proportionele aansprakelijkheid, kan er niet toe leiden dat partijen, ook zonder dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is geworden, naar de schadestaatprocedure worden verwezen. Het hof zal die leerstukken daarom verder niet bespreken.
Grief 2van De Stalen Burcht c.s. bestrijdt de overweging in rov. 4.1 van het bestreden vonnis dat Hulotte de beweerdelijke vordering van [appellante 3] op De Stalen Burcht c.s. heeft overgenomen. Uit hetgeen is overwogen naar aanleiding van de
grieven 1 en 3 in het incidenteel appel, volgt dat ook deze
grieffaalt. Ondanks het faillissement en de opheffing daarvan bij gebrek aan baten, kan er immers in deze procedure niet van worden uitgegaan dat [appellante 3] niet meer bestond op het tijdstip dat zij haar (gestelde) vordering overdroeg aan Hulotte.
Grief 12in het principaal appel keert zich tegen de veroordeling van Hulotte c.s. in de proceskosten. Nu Hulotte c.s. ook in hoger beroep in het ongelijk wordt gesteld, faalt deze grief in zoverre. Wel klaagt de grief terecht dat de rechtbank ten onrechte niet alleen Hulotte maar ook de overige appellanten in de kosten van het incident tot zekerheidstelling heeft veroordeeld, nu de vordering tot zekerheidstelling alleen betrekking had op Hulotte. Het hof zal het bestreden vonnis op dit punt vernietigen en van het bedrag van de proceskostenveroordeling een bedrag van € 3.211 (één salarispunt) alleen ten laste van Hulotte brengen en het restant ten bedrage van € 11.891,50 ten laste van Hulotte c.s. laten.
onder 39is overwogen, falen de grieven zowel in het principaal appel als in het incidenteel appel en zal het bestreden vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, derhalve worden bekrachtigd. Voor zover Hulotte c.s. in hoger beroep meer of anders hebben gevorderd dan in eerste aanleg, zal dit worden afgewezen. In het principaal appel zullen Hulotte c.s. als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten. In het incidenteel appel zullen De Stalen Burcht c.s. als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld. Hulotte zal worden veroordeeld in de kosten van het incident in hoger beroep. Het hof zal voor het principaal appel, voor zover niet in het incident, uitgaan van 2 salarispunten (1 punt voor de memorie van antwoord en 1 punt voor het pleidooi) en in het incidenteel appel van 2,5 punten (1 punt voor de memorie van antwoord in incidenteel appel, 1 punt voor het pleidooi en 0,5 punt voor de akte na pleidooi).