ECLI:NL:GHDHA:2019:1440

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2019
Publicatiedatum
11 juni 2019
Zaaknummer
BK-18/00692 en BK-18/00693
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake verzoek om teruggaaf van omzetbelasting over 2013 en 2014 na termijnoverschrijding

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van de Inspecteur van de Belastingdienst tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. De belanghebbende, een acupuncturist, heeft na het verstrijken van de wettelijke bezwaartermijn een verzoek ingediend tot teruggaaf van omzetbelasting over de jaren 2013 en 2014. De Inspecteur heeft dit verzoek afgewezen, waarbij hij aanvoert dat het verzoek niet als bezwaar kan worden aangemerkt vanwege termijnoverschrijding. De Rechtbank heeft echter geoordeeld dat het bezwaar van de belanghebbende ontvankelijk is, omdat er sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding. De Inspecteur is in hoger beroep gegaan, waarbij de vraag centraal staat of de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar achterwege had moeten blijven. Het Hof oordeelt dat de belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op basis van een contact met de Belastingdienst heeft kunnen afzien van het indienen van bezwaar. Het Hof vernietigt de uitspraak van de Rechtbank en verklaart het beroep van de Inspecteur ongegrond. Tevens verklaart het Hof zich onbevoegd kennis te nemen van de verzoeken tot teruggave van onherroepelijk vaststaande voldoeningen op aangifte van omzetbelasting.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-18/00692 en BK-18/00693

Uitspraak van 28 mei 2019

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: [A] )
en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: [B] )
op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 7 mei 2018, nummers SGR 17/8154 en SGR 17/8155.

Procesverloop

1.1.
Belanghebbende heeft voor het 4de kwartaal 2013 en het 1ste kwartaal 2014 op aangifte omzetbelasting voldaan tot een bedrag van respectievelijk € 5.190 en € 4.303.
1.2.
Belanghebbende heeft de Inspecteur verzocht over deze kwartalen ambtshalve teruggaven te verlenen. De Inspecteur heeft het verzoek aangemerkt als een bezwaar. De Inspecteur verklaart het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk. Voorts is het verzoek door de Inspecteur behandeld als een verzoek om ambtshalve vermindering, hetgeen is afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar en de afwijzing van het verzoek om teruggaaf beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep is een griffierecht geheven van € 168. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, het bezwaar ontvankelijk verklaard, bepaald dat de Inspecteur de door belanghebbende betaalde omzetbelasting over het 4de kwartaal 2013 en het 1ste kwartaal 2014 aan hem zal terugbetalen, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.002 en de Inspecteur opgedragen het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 168 te vergoeden.
1.4.
De Inspecteur is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Voorafgaand aan de zitting heeft het Hof de volgende stuk ontvangen:
  • Op 27 augustus 2018 van de zijde van de Inspecteur een reactie op het incidenteel hoger beroep van belanghebbende;
  • Op 7 november 2018 van de zijde van de Inspecteur een reactie op het verweerschrift van belanghebbende;
  • Op 8 november 2018 van de zijde van belanghebbende een begeleidend schrijven met drie bijlagen.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 20 november 2018. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

2.1.
De Rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld.
“1. [Belanghebbende] is zelfstandig werkzaam als acupuncturist en is lid van de Nederlandse Vereniging voor Acupunctuur (NVA). [Belanghebbende] heeft ter zake van zijn prestaties, voor zover hier van belang, over het 4e kwartaal 2013 en over het 1e kwartaal 2014 omzetbelasting voldaan tot een bedrag van € 5.190 respectievelijk € 4.303.
2. Tot 1 januari 2013 gold voor de dienstverlening door acupuncturisten de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onder g van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB). Vanaf die datum is de vrijstelling gewijzigd en werd onder meer de dienstverlening van [belanghebbende] in de heffing van omzetbelasting betrokken.
3. De NVA heeft voor haar leden in het kader van een proefprocedure over de vraag of de acupunctuurbehandelingen van btw zijn vrijgesteld met de Belastingdienst afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn neergelegd in een vaststellingsovereenkomst van 20 augustus 2014.
4. Uit het arrest van de Hoge Raad van 27 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:744) volgt dat de dienstverlening van [belanghebbende] wel onder het bereik van de vrijstelling valt.
5. Bij brief van 20 maart 2017 heeft [de Inspecteur] aan [belanghebbende] meegedeeld dat nu hij geen bezwaarschrift heeft ingediend tegen de betaling op aangifte over het 4e kwartaal 2013 en het 1e kwartaal 2014 deze afdrachten onherroepelijk vaststaan en dat voor deze tijdvakken geen ambtshalve teruggave wordt verleend.
6. [ Belanghebbende] heeft bij brief van 21 april 2017 verzocht om ook over het 4e kwartaal 2013 en het 1e kwartaal 2014 ambtshalve teruggave te verlenen.
7. Bij brief van 12 mei 2017 heeft [de Inspecteur], voor zover hier van belang, dit verzoek afgewezen.
8. Bij brieven van 31 mei 2017 heeft [belanghebbende] (wederom) verzocht om een ambtshalve vermindering van de op aangifte afgedragen omzetbelasting over de perioden 4e kwartaal 2013 en 1e kwartaal 2014.
9. Bij uitspraak op bezwaar heeft [de Inspecteur] het bezwaar van [belanghebbende] wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast zijn de bezwaren behandeld als een verzoek om ambtshalve vermindering, welk verzoek is afgewezen.”
2.2.1.
Het Hof neemt de feitenvaststelling van de Rechtbank over en vult deze als volgt aan.
2.2.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte van omzetbelasting voor het 1ste en het 2de kwartaal 2013. In januari 2014 is belanghebbende gestopt met het maken van bezwaar. Belanghebbende verkeerde in de veronderstelling dat dit niet meer noodzakelijk was aangezien er een vaststellingsovereenkomst (VSO) tussen de Belastingdienst en de NVA werd opgesteld naar aanleiding van een reeds lopende proefprocedure inzake de omzetbelastingplicht van acupuncturisten.
2.2.3.
Toen belanghebbende medio juli 2014 via de NVA bekend was geworden met het feit dat tot aan de ondertekening van de VSO op 20 augustus 2014, per tijdvak bezwaar diende te worden gemaakt, heeft belanghebbende het indienen van bezwaren hervat, zonder bezwaar te maken tegen de voldoening op aangifte van omzetbelasting voor het 4de kwartaal 2013 en het 1ste kwartaal 2014.
2.2.4.
Bij brief van 20 maart 2017 heeft de Inspecteur belanghebbende, voor zover hier van belang, het volgende medegedeeld:
“De NVA heeft namens haar leden met de Belastingdienst afspraken gemaakt over de vraag of diensten van een acupuncturist kunnen delen in de btw-vrijstelling voor medische diensten. In dat kader heeft u een vaststellingsovereenkomst (VSO) ondertekend en verzonden naar de Belastingdienst.
Op basis van dat overleg kunnen uw diensten, voor zover ze aan de wet- en regelgeving (waaronder het Beleidsbesluit van 29 maart 2016) voldoen, kwalificeren als vrijgesteld. Eén van de voorwaarden is dat het moet gaan om diensten die kwalificeren als gezondheidskundige verzorging van de mens.
Met de NVA zijn afspraken gemaakt over de afhandeling van de door de leden van de NVA ingediende bezwaarschriften. Eerder werd u hierover mogelijk al door de NVA geïnformeerd.
Voor de tijdvakken voorafgaand aan de ondertekening van de VSO, geldt het vereiste dat u in deze periode minimaal één tijdig bezwaarschrift tegen de betaling op aangifte heeft ingediend. Een andere eis is dat u vanaf het tijdvak dat u de VSO heeft getekend, tijdig aangifte heeft gedaan en tijdig heeft betaald.
Indien u vóór de ondertekening van de VSO geen (tijdige) bezwaarschriften heeft ingediend, dan zullen die afdrachten van belasting en naheffingsaanslagen ambtshalve worden verminderd vanaf het tijdvak dat op 27 maart 2015 - de datum dat de Hoge Raad arrest heeft gewezen inzake de medische vrijstelling - nog niet onherroepelijk vast stond. Voor tijdvakken die vóór de datum van het arrest onherroepelijk vaststonden kan geen teruggave worden verleend, tenzij (per tijdvak te beoordelen) tijdig bezwaar is gemaakt.
Tijdig bezwaarschrift
(…)
U heeft geen bezwaarschrift ingediend?
Volgens mijn gegevens heeft u geen bezwaarschrift ingediend tegen de betaling op aangifte over het 4e kwartaal van 2013 en het 1e en 2e kwartaal van 2014. Dit betekent dat deze afdrachten van belasting en naheffingsaanslagen op 27 maart 2015 onherroepelijk vaststaan. Dit houdt in dat vóór deze tijdvakken geen ambtshalve teruggave wordt verleend.”
2.2.5.
Naar aanleiding hiervan heeft belanghebbende de Inspecteur bij brief van 21 april 2017, voor zover hier van belang, het volgende bericht:
“In [de onder 2.2.4. aangehaalde] brief staat dat indien vóór ondertekening van de VSO minimaal één tijdig bezwaarschrift tegen de betaling op aangifte is ingediend dit voldoet aan de vereiste om teruggaaf van de omzetbelasting. Deze zin is niet te rijmen met uw weigering over het vierde kwartaal 2013 en eerste kwartaal 2014 een ambtshalve teruggave te verlenen.
Bovendien zijn de bezwaarschriften met een oudere datum wel ingediend en daarvoor worden wel ambtshalve teruggaven verleend. Voorts volg ik uw redenering niet dat die aanslagen onherroepelijk vaststaan. De termijn van vijf jaar is immers niet verlopen.
Ik verzoek u ook over het vierde kwartaal 2013 en het eerste kwartaal 2014 ambtshalve teruggave te verlenen”

Oordeel van de Rechtbank

De Rechtbank heeft, voor zover thans van belang, overwogen:
“(…)
Beoordeling van hetgeschil
11. Alvorens de rechtbank kan toekomen aan een inhoudelijke behandeling van het beroep dient zij eerst ambtshalve te beoordelen of bezwaar is gemaakt en zo ja of dat al dan niet tijdig is gedaan. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. [Belanghebbende] heeft, in reactie op de brief van [de Inspecteur] van 20 maart 2017, bij brief van 21 april 2017 gereageerd op de weigering om over de in geding zijnde kwartalen teruggaaf te verlenen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze brief (mede) op te vatten als een bezwaarschrift. [De Inspecteur] heeft dan ook terecht in zijn uitspraak op bezwaar de brief van [belanghebbende] aangemerkt als bezwaar tegen de eigen aangifte en dat als zodanig in behandeling genomen. Niet in geschil is dat voor de in geding zijnde kwartalen het bezwaar te laat is ingediend.
12. Op grond van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is van een dergelijke situatie in dit geval sprake. [Belanghebbende] heeft vanaf het 1e tot en met het 3e kwartaal 2013 telkens per kwartaal (tijdig) bezwaar gemaakt tegen de eigen aangifte omzetbelasting. [Belanghebbende] is lid van de NVA en heeft aangehaakt bij de vaststellingsovereenkomst tussen de NVA en de belastingdienst. [Belanghebbende] heeft als reden voor het niet meer indienen van een bezwaarschrift gesteld dat hij meende dat hij in verband met de afspraken tussen de NVA en de belastingdienst over een aantal proefprocedures en de vaststellingsovereenkomst tussen de NVA en de belastingdienst vanaf 1 januari 2014 niet zelf meer bezwaar hoefde te maken. [Belanghebbende] stelt dat ook de inspecteur die destijds zijn aangiften behandelde zich uitdrukkelijk in die zin heeft uitgelaten. Toen [belanghebbende] op grond van uitlatingen van de NVA begreep dat dit niet juist was, heeft hij het indienen van bezwaarschriften hervat. Deze combinatie van omstandigheden maakt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. [Belanghebbende] kon en mocht menen dat hij begin 2014 niet langer per kwartaal een bezwaarschrift in hoefde te dienen, omdat hij daarvoor al een aantal keren bezwaar had gemaakt. Dat betekent dat de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar over het 4e kwartaal 2013 en het 1e kwartaal 2014 achterwege had moeten blijven. De aanslagen over deze kwartalen staan dan ook nog niet onherroepelijk vast. Daarmee is voorts gegeven dat [belanghebbende] op grond van het beleid van [de Inspecteur] (Besluit BLKB2016/433M) recht heeft op teruggaaf van de ten onrechte betaalde omzetbelasting over deze kwartalen. Daarom zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door de verzochte teruggaven toe te wijzen.
(…)”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.
Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur uiteindelijk zijn standpunt dat de onder 2.2.5 aangehaalde brief niet mede is op te vatten als een bezwaarschrift, laten vallen.
Hierna is in hoger beroep nog in geschil
4.2.1.
of de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat niet-ontvankelijkverklaring van het door belanghebbende gemaakte bezwaar wegens termijnoverschrijding achterwege moet blijven omdat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaar in verzuim is geweest, dan wel;
4.2.2.
of de Inspecteur ten onrechte het verzoek om ambtshalve teruggaaf van de door belanghebbende betaalde omzetbelasting heeft afgewezen.
4.2.3.
Indien het Hof de vraag onder 4.2.1. of 4.2.2. bevestigend beantwoordt: of belanghebbende recht heeft op een rentevergoeding over de aan hem te verlenen teruggaven van omzetbelasting;
4.2.4.
en of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van de schade die hij heeft geleden doordat hij zonder reden een omzetbelastingadministratie heeft moeten voeren alsmede op een integrale proceskostenvergoeding.
4.3.
Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, wordt verwezen naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.
De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het beroep.
5.2.
Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. In incidenteel beroep concludeert belanghebbende, naar het Hof begrijpt, dat het Hof voor recht verklaart dat de Inspecteur gehouden is ten onrechte betaalde omzetbelasting ambtshalve aan belanghebbende terug te geven. Voorts concludeert belanghebbende tot het toekennen van een rentevergoeding over de aan hem te verlenen teruggaven van omzetbelasting, tot het toekennen van vergoeding van de schade die hij heeft geleden omdat hij zonder reden een omzetbelastingadministratie heeft moeten voeren en tot veroordeling van de Inspecteur in de werkelijk door belanghebbende gemaakte proceskosten.

Beoordeling van het hoger beroep

Met betrekking tot de vraag onder 4.2.1.
6.1.
De voldoening op aangifte is voor het instellen van de rechtsmiddelen bezwaar en beroep, gelijkgesteld aan een voor bezwaar vatbare beschikking. De wettelijke voorschriften inzake het bezwaar en beroep zijn dan ook, voor zover de aard van de voldoening zich daar niet tegen verzet, overeenkomstig van toepassing (artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelasting (Awr)). De termijn voor het indienen van een bezwaar bij voldoening op aangifte eindigt zes weken na de dag van de voldoening (artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met de artikelen 6:8 Awb en 22j, sub b, Awr). De data van voldoening zijn in het onderhavige geval 29 januari 2014 voor het vierde kwartaal van 2013 en 30 april 2014 voor het eerste kwartaal van 2014. Vaststaat dat het bezwaar tegen de voldoening op aangifte van de voornoemde kwartalen buiten de wettelijke bezwaartermijn is ingediend.
6.2.1.
In een geval als dit, waarin de bezwaartermijn is overschreden, dient te worden beoordeeld of niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar achterwege moet blijven omdat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 Awb. Blijkens de wetsgeschiedenis van het voornoemde artikel (Kamerstukken II, 1988-1988, 21 221, nr. 3, p. 131) kan in de volgende gevallen sprake zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding: (1) bij omstandigheden die de betrokkene persoonlijk betreffen en (2) in gevallen waarin de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel is gaan lopen zonder dat een belastingplichtige voldoende op de hoogte is gesteld van zijn bevoegdheden op dat punt.
6.2.2.
Gesteld noch gebleken is dat zich omstandigheden van persoonlijke aard hebben voorgedaan die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken.
6.2.3.
Van het niet of onvoldoende op de hoogte zijn gesteld van de bevoegdheid om bezwaar te maken kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer de belastingplichtige door het bestuursorgaan niet of onjuist is ingelicht over de mogelijkheid om bezwaar te maken of bij overige voor rekening van het bestuursorgaan komende omstandigheden die ertoe leiden dat een belastingplichtige niet of niet tijdig van die mogelijkheid op de hoogte is gekomen. Uit de wetsgeschiedenis volgt voorts dat een belastingplichtige – na van het bestaan van het rechtsmiddel op de hoogte te zijn gekomen, dan wel juist te zijn ingelicht – zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kan worden verlangd, bezwaar moet maken. De belastingplichtige kan er in dat geval dus niet vanuit gaan dat hem alsnog een volle bezwaartermijn ter beschikking staat. Verder is in het onderhavige geval van belang dat eventueel vertrouwen dat is ontleend aan een uitlating van het bestuursorgaan, waarvan de belanghebbende pas na afloop van de wettelijke bezwaartermijn kennisneemt, niet kan bewerkstelligen dat een inmiddels plaatsgehad hebbende niet-verschoonbare termijnoverschrijding, alsnog verschoonbaar wordt (vgl. Hoge Raad 22 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8419).
6.3.
Niet in geschil is dat belanghebbende bekend was met de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen een voldoening op aangifte, alsmede met de wettelijke bezwaarstermijn. Bij de beoordeling of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding dient belanghebbende in het onderhavige geval derhalve aannemelijk te maken dat hij: (1) door toedoen van de Belastingdienst – en binnen de wettelijke bezwaarperiode – in de veronderstelling verkeerde geen bezwaar te hoeven indienen tegen de voldoening op aangifte inzake de desbetreffende kwartalen en (2) zo spoedig mogelijk na te zijn vergewist van de juiste zienswijze, bezwaar heeft ingediend.
6.4.1.
Belanghebbende stelt mede naar aanleiding van telefonisch contact met de ambtenaar van de Belastingdienst die destijds zijn aangiften behandelde, na het tweede kwartaal 2013 te zijn gestopt met het indienen van bezwaar tegen de voldoening op aangifte. De Inspecteur stelt dat het onwaarschijnlijk is dat belanghebbende destijds contact met een ambtenaar van de Belastingdienst heeft gehad op grond waarvan hij heeft kunnen afzien van het maken van bezwaar tegen latere voldoeningen op aangifte, omdat de omzetbelasting een aangiftebelasting is en aan de voldoening van een aangiftebelasting geen beoordeling inzake de belastingplicht en/of de aangifte door de inspecteur voorafgaat. Voorts stelt de Inspecteur dat – mocht sprake zijn geweest van een verschoonbare termijnoverschrijding – dit niet meer het geval was op het moment van indienen van het bezwaar, zijnde 21 april 2017, aangezien belanghebbende reeds in 2014 via het NVA op de hoogte is gesteld van de juiste handelswijze met betrekking tot het maken van bezwaar inzake de kwartalen tot aan ondertekening van de VSO.
6.4.2.
Belanghebbende heeft, tegenover de ontkenning door de Inspecteur, zijn stelling dat hij contact heeft gehad met de ambtenaar van de Belastingdienst die destijds zijn aangiften behandelde, en dat hij op grond van dat contact heeft kunnen afzien van het maken van bezwaar tegen latere voldoening op aangifte van omzetbelasting, niet aannemelijk gemaakt. Daarbij neemt het Hof het volgende in aanmerking.
6.4.3.
Belanghebbende heeft de naam van de ambtenaar en de datum van het gesprek niet vermeld en heeft geen vastlegging van het van hetgeen is besproken overgelegd. Belanghebbende heeft evenmin ander bewijs dat er een contact met een ambtenaar van de Belastingdienst is geweest waarin de ambtenaar een uitlating heeft gedaan of informatie heeft verstrekt. Derhalve heeft belanghebbende niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is geweest van een van een toezegging, een standpuntbepaling of een andere uitlating van de ambtenaar van de Belastingdienst die destijds zijn aangifte behandelde, waaraan belanghebbende het vertrouwen aan mocht ontlenen dat hij, naar aanleiding van het opstellen van de VSO tussen de Belastingdienst en de NVA, niet langer tegen elke voldoening op aangifte bezwaar hoefde te maken.
6.4.4.
Nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op grond van een contact met de ambtenaar van de Belastingdienst die zijn aangiften behandelde heeft kunnen afzien van het maken van bezwaar tegen latere voldoening op aangifte van omzetbelasting, en andere feiten op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, niet zijn gesteld of zijn gebleken, heeft de Rechtbank ten onrechte geoordeeld dat niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de voldoening op aangifte voor het vierde kwartaal 2013 en het eerste kwartaal 2014 achterwege had moeten blijven.
6.4.5.
Gelet op het vorenoverwogene is het principale hoger beroep gegrond.
Met betrekking tot de vraag onder 4.2.2.
6.5.1.
In beroep en nadien in incidenteel hoger beroep heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat de Inspecteur in alle gevallen waarin belanghebbende ten onrechte omzetbelasting heeft betaald, gehouden is de ten onrechte betaalde omzetbelasting ambtshalve aan belanghebbende terug te geven, dus ook in gevallen waarin de voldoening op aangifte, dan wel de naheffingsaanslag, inmiddels onherroepelijk vast staat.
6.5.2.
De bestuursrechter kan slechts worden geadieerd in geschillen betreffende een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. In geschillen betreffende ingevolge de belastingwet genomen besluiten heeft de wetgever de beslissingsbevoegdheid van de bestuursrechter nader beperkt tot geschillen betreffende de in artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) met name genoemde besluiten en de daarmee in het tweede lid van dat artikel gelijkgestelde voldoeningen en afdrachten op aangifte (het zogeheten gesloten stelsel van rechtsmiddelen). De beschikking waarbij de inspecteur op grond van artikel 65 van de Awr, al dan niet op verzoek, ambtshalve teruggaaf van door een belastingplichtige betaalde belasting verleent dan wel een verzoek om ambtshalve teruggaaf van een belastingplichtige geheel of ten dele afwijst (hierna: beschikking ambtshalve vermindering) behoort hier niet ter zake doende uitzondering daargelaten – niet tot de in artikel 26 van de Awr met name genoemde besluiten. Derhalve kan tegen een beschikking ambtshalve vermindering geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld en, daaraan voorafgaand, bezwaar bij het bestuursorgaan (de inspecteur) worden gemaakt.
6.5.3.
Gelet op het overwogene onder 6.5.2. is het Hof in zijn hoedanigheid van (fiscaal) bestuursrechter niet bevoegd te beslissen op de vraag of de Inspecteur het verzoek om ambtshalve teruggaven van de door belanghebbende voor diverse tijdvakken betaalde omzetbelasting terecht heeft afgewezen. Indien belanghebbende de rechtmatigheid van het afwijzen van dit verzoek aan een rechter wil voorleggen, dient hij dat te doen door het instellen van een vordering bij de burgerlijke rechter.
6.5.4.
Belanghebbende voert aan dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zeer onredelijk uitpakt voor belanghebbende. Onder verwijzing naar diverse Europese jurisprudentie stelt belanghebbende dat de Inspecteur op grond van het gemeenschapsrecht is gehouden de ten onrechte betaalde omzetbelasting terug te betalen. De Inspecteur weerspreekt dit.
6.5.5.
De lidstaten beschikken in beginsel over nationale procedurele autonomie (vlg. HvJ EU 16 december 1976, zaak C-33/76). Voor zover het gemeenschapsrecht geen harmoniserende taak heeft, wordt de inrichting van het nationale procesrecht dan ook geëerbiedigd door het gemeenschapsrecht (vlg. HvJ EU 26 mei 2005, zaak C-77/04). In dit geval gaat het om nationale wetgeving betreffende de rechtsmiddelen die kunnen worden aangewend tegen de gehele of gedeeltelijke afwijzing van een verzoek om ambtshalve vermindering van onherroepelijk vaststaande voldoeningen op aangifte en naheffingsaanslagen. Aangezien deze nationale wetgeving geen betrekking heeft op het terrein van het (harmoniserend) gemeenschapsrecht, kan de toepassing van de nationale wetgeving niet met een beroep op het gemeenschapsrecht ter zijde worden geschoven. Het Hof is als bestuursrechter derhalve niet bevoegd om de op dit punt betrekking hebbende grieven van belanghebbende te behandelen.
6.5.6.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het incidenteel hoger beroep ongegrond.
Met betrekking tot de vraag onder 4.2.3. en 4.2.4.
6.7.
Hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het verzoek van belanghebbende tot teruggave van onherroepelijk vaststaande voldoeningen van omzetbelasting geldt mutatis mutandis evenzeer voor de verzoeken tot toekenning van een rentevergoeding over de aan belanghebbende te verlenen teruggaven van omzetbelasting en tot het toekennen van vergoeding van de schade die hij heeft geleden omdat hij zonder reden een omzetbelastingadministratie heeft moeten voeren.
Slotsom
6.8.
Het hoger beroep van de Inspecteur is gegrond, het incidenteel hoger beroep van belanghebbende is ongegrond; beslist dient te worden als hierna vermeld.

Proceskosten en griffierecht

Er zijn geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof:
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
- verklaart het beroep ongegrond, en,
- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de door belanghebbende ingediende verzoeken tot teruggave van onherroepelijk vaststaande voldoeningen op aangifte van omzetbelasting.
Deze uitspraak is vastgesteld door E.M. Vrouwenvelder, P.J.J. Vonk en G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van de griffier J. de Vormer. De beslissing is op 28 mei 2019 in het openbaar uitgesproken.
aangetekend aan
partijen verzonden:
Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kanbinnen zes wekenna de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

-
- de naam en het adres van de indiener;
-
- de dagtekening;
-
- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.