ECLI:NL:GHDHA:2019:1871
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake hoofdverblijfplaats en zorgregeling minderjarige na verhuizing
De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de voorzieningenrechter inzake de hoofdverblijfplaats en zorgregeling van de minderjarige, geboren uit het huwelijk van partijen. De man had in kort geding diverse vorderingen ingesteld, waaronder voorlopige toewijzing van de minderjarige aan hem en een verhuisverbod voor de vrouw.
Het hof oordeelt dat de man zijn vorderingen primair via de bijzondere procedure voor voorlopige voorzieningen (art. 821 e.v. Rv) had moeten aanbrengen en niet via kort geding. Daarom verklaart het hof de man niet-ontvankelijk in de meeste van zijn vorderingen. Daarnaast heeft de man geen belang meer bij zijn subsidiaire vorderingen, nu de vrouw met de minderjarige is teruggekeerd naar de voormalige echtelijke woning.
Het hof wijst de vorderingen van de man af, compenseert de proceskosten en wijst het hoger beroep van de vrouw af voor zover het meer of anders vordert. De vorderingen van de vrouw tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring worden eveneens afgewezen. Hiermee wordt het bestreden vonnis vernietigd en wordt de zaak inhoudelijk niet behandeld.
Uitkomst: Het hof verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn vorderingen en wijst de overige vorderingen af met kostencompensatie.