Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 23 april 2019
Het verloop van het geding
- een brief met bijlagen van mr. M.C. Schraven van 19 februari 2019;
- een brief met bijlagen van mr. M.M.C. van der Sanden van 20 februari 2019
Gerechtshof Den Haag
Partijen zijn in 1987 gehuwd en hebben een minderjarige uit hun huwelijk. De vrouw vordert de uitvoerbaarverklaring bij lijfsdwang van alimentatiebeschikkingen uit 2015 en 2016, omdat de man niet aan zijn verplichtingen voldoet. De rechtbank had eerder de alimentatiebedragen vastgesteld, maar deze zijn in 2018 door de rechtbank Zeeland-West-Brabant fors verlaagd wegens onvoldoende draagkracht van de man.
De vrouw baseert haar vordering op de oude beschikkingen, terwijl de gewijzigde bedragen uit 2018 gelden. Het hof oordeelt dat de vordering daarom reeds strandt. Daarnaast stelt het hof vast dat er sprake is van betalingsonmacht en niet van betalingsonwil bij de man, wat wordt bevestigd door de recente wijzigingsprocedure.
Het hof bekrachtigt het eerdere vonnis van de voorzieningenrechter dat de vordering tot lijfsdwang wordt afgewezen en compenseert de proceskosten in hoger beroep, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt.
Uitkomst: De vordering tot uitvoerbaarverklaring bij lijfsdwang van de oude alimentatiebeschikkingen wordt afgewezen.