Appellante verzocht bij de rechtbank om toepassing van de schuldsaneringsregeling vanwege een totale schuldenlast van €73.050,28. De rechtbank wees dit verzoek af omdat onvoldoende aannemelijk was dat zij te goeder trouw was geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.
In hoger beroep stelde appellante zich op het standpunt dat zij wel te goeder trouw was en deed zij een beroep op de hardheidsclausule. Het hof onderzocht de aard en omvang van de schulden, waaronder een belastingschuld van €22.612 en een schuld aan het UWV van €6.328,83, en concludeerde dat onvoldoende aannemelijk was dat deze schulden te goeder trouw waren ontstaan. Appellante had niet aannemelijk gemaakt dat zij de Belastingdienst en het UWV correct had geïnformeerd.
Daarnaast bleek uit een brief van de praktijkondersteuner huisarts GGZ dat appellante ernstige psychosociale problemen heeft die haar functioneren belemmeren. Het hof vond dat onvoldoende was aangetoond dat zij haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zou nakomen. De hardheidsclausule kon daarom niet worden toegepast.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af.