ECLI:NL:GHDHA:2019:2037
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toelating tot schuldsaneringsregeling op grond van hardheidsclausule na afwijzing rechtbank
Appellant heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, dat werd afgewezen wegens onvolledige en incorrecte schuldenlijst, twijfel aan goede trouw bij het ontstaan en onbetaald laten van schulden binnen vijf jaar, en onvoldoende aannemelijkheid dat appellant zijn inspanningsverplichtingen zal nakomen.
In hoger beroep heeft appellant een volledige en gedocumenteerde schuldenlast van €270.584,38 overgelegd, waaronder een hogere schuld aan ABN Amro Bank dan eerder vermeld. Het hof oordeelt dat appellant onvoldoende te goeder trouw is geweest voor een deel van de schulden, met name een naheffingsaanslag van de Belastingdienst over 2013, waarvoor geen verontschuldiging wordt geaccepteerd.
Desondanks acht het hof op grond van de hardheidsclausule dat appellant zijn financiële en persoonlijke omstandigheden onder controle heeft gekregen. Hij heeft zijn ondernemingen gestaakt, geen nieuwe schulden meer gemaakt, schuldhulpverlening gezocht en een baan bij PostNL gevonden. Het hof vindt aannemelijk dat appellant zijn verplichtingen uit de regeling zal nakomen en vernietigt het vonnis van de rechtbank, wijzend appellant alsnog toe tot de schuldsaneringsregeling.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst appellant toe tot de schuldsaneringsregeling op grond van de hardheidsclausule.