Uitspraak
verweerder in het incidenteel appel,
appellanten in het incidenteel appel,
(2.1) Nadat partijen in 2011 ten aanzien van na te noemen perceel een koopovereenkomst hadden gesloten, die vervolgens is ontbonden (hierna: koopovereenkomst 1) (productie 3 inleidende dagvaarding) hebben zij op 27 december 2012 een nieuwe koopovereenkomst ten aanzien van dit perceel gesloten (hierna: koopovereenkomst 2) (productie 4 inleidende dagvaarding).
[geïntimeerden] heeft blijkens deze koopovereenkomst 2 voor € 522.500,-- van [appellant] gekocht een perceel grond (hierna: het Perceel) bestemd voor de bouw van een woning. Het Perceel (door partijen aangeduid met perceelsnummer 1) is gelegen aan [straatnaam] te [plaats] .
In koopovereenkomst 2 is daarnaast op bladzijde 4 als (op overeenkomst 2 toepasselijke) bepaling opgenomen dat [appellant] voor de oplevering van de door [geïntimeerden] te bouwen woning op een aangrenzend perceel een sloot zal graven met een bepaalde breedte en lengte en een diepte van 1.50 meter die
“onbelemmerde doorvaart zal geven naar het bestaande vaarwater (…).Navolgende erfdienstbaarheid houdt tevens de last in voor de verkoper om over het gehele tracé van de sloot om voor zijn rekening aan te brengen op de oeverlijn van een beschoeiing, zodanig dat de oeverlijn zich niet door afkalving in de richting van de sloot verplaatst.”Partijen zijn hierbij tevens overeengekomen dat een erfdienstbaarheid zal worden gevestigd, zulks om met vaartuigen vanaf het heersend erf (het Perceel) over de sloot te varen naar het aangrenzend vaarwater en omgekeerd en dat daarin de in de overeenkomst genoemde afspraken over de sloot zullen worden vastgelegd. Onder meer is daarbij overeengekomen dat de eigenaren en bevoegde gebruikers van de erven de sloot uitsluitend mogen gebruiken voor niet-bedrijfsmatige doorvaart.
(2.2) Het Perceel is op 11 februari 2013 aan [geïntimeerden] geleverd. In de leveringsakte (productie 5 inleidende dagvaarding) zijn voormelde afspraken onder het kopje
“Vestiging erfdienstbaarheid”neergelegd.
(2.3) [geïntimeerden] heeft vervolgens een woning en een schuurtje, met regenpijp, op het Perceel gebouwd. [Voor de goede orde: het hof spreekt over een ‘schuurtje’ omdat het begrip ‘schuur’ in dit tuinbouwgebied associaties geeft met een bedrijfsmatige schuur waarvan in dit geval geen sprake is.] [geïntimeerden] heeft het Perceel vóór de bouw in opdracht van de gemeente opgehoogd. Ook heeft hij twee leidingen (respectievelijk voor de aan- en afvoer van water van en naar het achterliggende openbare water) aangelegd op 30 cm diepte in na te noemen perceel 5 van [appellant] , dicht langs de erfgrens met na te noemen perceel 4. De woning is op 22 augustus 2013 opgeleverd. De sloot was toen nog niet gegraven. In 2016 hebben partijen een schikking bereikt waarbij [appellant] zich heeft verplicht alsnog een sloot te realiseren. [appellant] heeft op enig moment in 2016 deze sloot gegraven. Deze sloot ligt, zoals overeengekomen, tussen de hierna genoemde percelen 5 en 6 en reikt van het bestaande vaarwater tot aan het Perceel.
(2.4) [appellant] woont op het naastgelegen perceel [adres] (vanaf [straatnaam] kijkend rechts naast het Perceel). Kijkend vanaf [straatnaam] links van het Perceel (ook wel perceel 1) liggen twee percelen die door partijen worden aangeduid met nummers 2 en 3. Deze percelen zijn inmiddels door [appellant] verkocht (met woonbestemming). Perceel 2 is ook opgehoogd, waarna er een woning op is gebouwd. Achter het perceel (met woning) van [appellant] en de percelen 1, 2 en 3 liggen nog vier percelen die eigendom zijn van [appellant] . Deze percelen hebben (nog) agrarische bestemming en worden door partijen aangeduid met de nummers 4, 5, 6 en 7. Perceel 4 hoort bij het perceel van de woning van [appellant] . Perceel 5 ligt achter het Perceel. Door de ophoging van het Perceel liggen de percelen van [appellant] ten opzichte daarvan lager. [appellant] heeft op enig moment op perceel 5 windschermen (van palen en winddoek) geplaatst, en wel langs de volledige erfgrens dicht bij de achterzijde van het Perceel. De ligging van de percelen is weergegeven in onderstaande schematische tekening, met dien verstande dat de insteekhavens bij het Perceel en bij de percelen 2 en 3 (bij koopovereenkomst 2) zijn vervallen en dat de percelen 4 tot en met 7, zoals
gezegd, thans nog steeds agrarisch zijn.
- de (aanleg van de) sloot, de onbelemmerde doorvaart en de daarmee verband
houdende door [geïntimeerden] gewenste legalisatie van de sloot;
- de beschoeiing van de sloot;
- de diepte van de sloot;
- de door [appellant] op perceel 5 geplaatste erfafscheiding en roerende zaken;
- de door [appellant] op perceel 5 ervaren wateroverlast (door ophoging van het
Perceel en een aldaar aan het schuurtje van [geïntimeerden] bevestigde regenpijp);
- over de erfgrens hangende zaken (deel van het schuurtje en bouten);
- leidingen in de grond van [appellant] .
(i) Niet deugdelijk is door [geïntimeerden] onderbouwd dat legalisatie van de sloot is vereist. De daarmee samenhangende vordering wordt afgewezen.
(ii) [appellant] is verplicht de sloot te voorzien van een beschoeiing. [appellant] heeft ten onrechte geen beschoeiing geplaatst aan de kop van de sloot, zodat hij wordt veroordeeld tot betaling van de daarmee gemoeide en door [geïntimeerden] gemaakte kosten van € 716,10, met wettelijke rente.
(iii) De door [appellant] aan de zijkant van de sloot aangelegde beschoeiing voldoet, zodat de vordering van [geïntimeerden] tot het aanleggen van een andere (deugdelijke, afkalving voorkomende) beschoeiing wordt afgewezen.
(iv) Niet is komen vast te staan dat de onvoldoende diepte van de sloot is toe te schrijven aan een gebrekkige beschoeiing, zodat de vordering tot veroordeling van [appellant] om de sloot weer van de juiste diepgang 1.50 meter te voorzien, zal worden afgewezen.
(v) [appellant] heeft zijn recht om een erfafscheiding te plaatsen misbruikt. Deze moet hij op straffe van een dwangsom verwijderen en verwijderd laten.
(vi) De vordering van [geïntimeerden] over de door [appellant] op zijn perceel geplaatste roerende zaken is onvoldoende toegelicht en zal worden afgewezen.
(vii) De proceskosten in conventie worden gecompenseerd.
(viii) De vorderingen van [appellant] worden afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in reconventie.
(ix) [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat de ophoging van het Perceel de natuurlijke waterloop op een voor [appellant] negatieve wijze beïnvloedt.
(x) Van afwatering (van de regenpijp aan de schuur van [geïntimeerden] ) in strijd met artikel 5:52 BW Pro, dan wel onrechtmatige afwatering ex artikel 5:39 BW Pro is niet gebleken.
(xi) Dit geldt ook voor de stelling van [appellant] dat er sprake is van opstallen (deel van de schuur en bouten) over de erfgrens.
(xii) [appellant] heeft niet gesteld dat hij nadeel heeft van de ondergrondse leidingen. [appellant] heeft dus geen belang bij verwijdering ervan (artikel 5:21 lid 2 BW Pro en artikel 3:303 BW Pro).
De grieven van partijen
De (gewijzigde) vorderingen van partijen in hoger beroepde vorderingen van [appellant]
Hij vordert thans (na wijziging van eis) onder verbeurte van een dwangsom:
te veroordelen om binnen een maand na betekening van het ten deze te wijzen arrest
de vorderingen van [geïntimeerden]
Hij vordert thans, samengevat, (na wijziging van eis) ten aanzien van de afgewezen vorderingen:
wegens de sloot:primair:(i) veroordeling van [appellant] tot betaling van een vervangende schadevergoeding van
€ 79.378,71, met buitengerechtelijke incassokosten en rente, althans een door het hof te betalen bedrag;
subsidiair:(i) partiële ontbinding van de koopovereenkomst; en
(ii) veroordeling van [appellant] tot betaling van € 79.378,71, met buitengerechtelijke incassokosten en rente, althans een door het hof te betalen bedrag;
meer subsidiair:(i) partiële vernietiging van de koopovereenkomst en
(ii) veroordeling van [appellant] tot betaling van € 79.378,71, met buitengerechtelijke incassokosten en rente, althans een door het hof te betalen bedrag;
nog meer subsidiair:veroordeling van [appellant] , op straffe van een dwangsom, tot nakoming van de koopovereenkomst door
(i) alles te doen om de sloot te (laten) legaliseren, dan wel te bewijzen dat dat niet (meer) nodig is; en bij gebreke daarvan: veroordeling van [appellant] om aan vervangende schadevergoeding te betalen een bedrag van € 79.378,71, met buitengerechtelijke incassokosten en rente, althans een door het hof te betalen bedrag;
(ii) een deugdelijke beschoeiing aan de zijkanten van de sloot aan te brengen;
(iii) de sloot weer van de juiste diepgang van 1.50 meter te voorzien;
wegens de roerende zaken op perceel 5(i) veroordeling van [appellant] tot verwijdering en het verwijderd houden ervan, meer specifiek de tractor, de grote aanhangwagen (met doek) en een (landbouw-)kar, dit op straffe van een dwangsom;
(ii) te bepalen dat [geïntimeerden] bij niet nakoming van (i) zelf tot verwijdering mag overgaan, op kosten van [appellant] ;
en
veroordeling van [appellant] in de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep.
Beoordeling van de vorderingen over en weer in het licht van de grieven en werende kwesties rond de sloot
10.Processueel:Nadat [geïntimeerden] bij inleidende dagvaarding, kort gezegd, schadevergoeding had gevorderd wegens wanprestatie aangezien [appellant] in strijd met koopovereenkomst 2 geen sloot had gegraven voorafgaand aan de oplevering van de woning op 22 augustus 2013, hebben partijen in 2016 een schikking bereikt en heeft [appellant] alsnog de sloot gegraven. Omdat [geïntimeerden] vervolgens klachten had over de beschoeiing en de bevaarbaarheid van de sloot, heeft hij zijn schadevordering ter zake daarvan bij akte van 29 maart 2017 gehandhaafd. Bij akte van 21 februari 2018 heeft [geïntimeerden] vervolgens zijn vordering op dit punt gewijzigd in een primaire vordering tot nakoming, waarbij hij ook vorderde de sloot op de juiste diepgang te brengen. De rechtbank heeft vervolgens met instemming van partijen de vordering van [geïntimeerden] beoordeeld als een nakomingsvordering en deze deels (ten aanzien van de beschoeiing aan de kop van de sloot) toegewezen. Thans in hoger beroep gaat [geïntimeerden] weer terug naar zijn eerste eis van primair (vervangende) schadevergoeding, met als argument dat het maar de vraag is of legalisatie van de (plezier)vaart op de sloot nog mogelijk is en [geïntimeerden] hierin geen vertrouwen meer heeft. [appellant] heeft bezwaar gemaakt tegen deze herhaaldelijke ‘omzetting’ van de eis.
primairde (nog meer subsidiair weergegeven, gewijzigde) nakomingsvordering beoordelen. Bij wanprestatie staat het de eisende partij weliswaar in beginsel vrij om te kiezen voor nakoming of schadevergoeding, maar er moeten goede redenen zijn (op grond van de redelijkheid en billijkheid) om op deze keuze terug te komen. Dit is eenmaal op goede gronden gebeurd in eerste aanleg, maar er zijn ontoereikende redenen aangevoerd om dit thans weer terug te draaien. Dit geldt temeer nu [appellant] inmiddels (deels) is nagekomen door de sloot te graven en er daarna verder is geprocedeerd over met name de beschoeiing en de vraag of legalisatie (van het varen op de sloot) door de gemeente was vereist.
12.Beroep op verjaring:[appellant] heeft gesteld dat [geïntimeerden] pas in december 2016 is gaan klagen en pas in maart 2017 is gaan procederen over de sloot, terwijl hij vervolgens in december 2018 is gaan klagen en procederen over het gebruikvan de sloot, zodat de artikelen 6:89 en 7:23 BW zijn geschonden. Hierdoor is, aldus nog steeds [appellant] , de vordering van [geïntimeerden] tot nakoming dan wel schadevergoeding verjaard.
Bovendien heeft [geïntimeerden] gesteld dat hij zodra hij na het graven van de sloot (in 2016) ontdekte dat deze niet bevaren mocht worden voor recreatieve doeleinden, onmiddellijk daarover bij [appellant] heeft geklaagd. In dit verband wijst het hof er op dat [geïntimeerden] deze kwestie al noemt in zijn akte van 29 maart 2017, waarin hij meldt dat het niet zeker is dat de kort daarvoor gegraven sloot in overeenstemming is met het bestemmingsplan, terwijl [geïntimeerden] deze kwestie ook aan de orde stelde in zijn mail van 9 februari 2017 (productie 4 bij conclusie van antwoord). Van ontijdig klagen is in deze onduidelijke situatie, waarbij [geïntimeerden] overigens redelijkerwijs nader onderzoek heeft mogen doen (zie ook de brief van 14 juni 2018; productie 12 memorie van grieven), geen sprake. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerden] deze kwestie redelijkerwijs eerder had dienen te ontdekken dan in 2016/2017. Dus ook uitgaande van een kortere verjaringstermijn, heeft [geïntimeerden] binnen twee jaar na kennisgeving aan [appellant] zijn rechtsvordering ingesteld. Het beroep op verjaring wordt verworpen.
14.De beschoeiing van de sloot:
Het gaat hierbij om:
- de beschoeiing aan de kop van de sloot (de toegewezen vordering van [geïntimeerden] ten bedrage van € 716,10, met wettelijke rente), waarover [appellant] klaagt, en
- de vordering van [geïntimeerden] (meer subsidiair onder ii) om [appellant] te veroordelen om een dusdanige beschoeiing aan de zijkanten van de sloot aan te leggen dat afkalven wordt voorkomen.
Onder ‘tracé’ van de oeverlijn valt redelijkerwijs wel degelijk ook ‘de kop’ van de sloot. Niet in geschil is immers dat ook ‘de kop’ beschoeid moet worden tegen afkalving.
De klacht van [appellant] dat beschoeiing aanbrengen aan de kop van de sloot (20 conclusie van antwoord, waarnaar hij bij zijn grieven verwijst) praktisch onmogelijk is, vindt reeds haar weerlegging in het feit dat [geïntimeerden] deze werkzaamheden inmiddels heeft laten uitvoeren. Van misbruik van recht door [geïntimeerden] is geen sprake. Dit betekent dat [appellant] terecht tot betaling van de betreffende werkzaamheden is veroordeeld. Het toegewezen bedrag acht het hof redelijk. Het andersluidende betoog van [appellant] ten aanzien daarvan wordt verworpen. Het hof is het eens met hetgeen de rechtbank in r.o. 4.6 en r.o. 4.7 van het vonnis (voor zover hier niet besproken) heeft overwogen en neemt dit over. Grief I van [appellant] wordt verworpen.
De aard van de beschoeiing(grief 3, vordering ii nog meer subsidiair van [geïntimeerden] ):
[appellant] heeft aan de slootkanten een beschoeiing van zeildoek aangebracht. Volgens [geïntimeerden] is deze vorm van beschoeiing ondeugdelijk omdat deze niet bestand is tegen afkalving. Hij verwijst hiertoe onder meer naar artikelen van ervaringsdeskundigen en naar de website van het Waterschap Zuiderzeeland. In dit verband betoogt hij dat het een feit van algemene bekendheid is dat een deugdelijke beschoeiing tegen afkalving (zoals overeengekomen) bestaat uit hout, beton of staal.
Partijen dienen het voorschot van de deskundige tezamen te dragen.
beschoeiinghet volgende te vragen:
Partijen zijn overeengekomen dat [appellant] op zijn kosten een beschoeiing langs de oever van de hele sloot zal aanbrengen, en wel zodanig dat ‘de oeverlijn zich niet door afkalving in de richting van de sloot verplaatst.’a) Kunt u aangeven waaraan een dergelijke beschoeiing moet voldoen/ wat een deugdelijke beschoeiing is om afkalving te voorkomen, gelet op de hierna te noemen omstandigheden?- Hierbij dient rekening gehouden te worden met de ligging, maatvoering en functie van de ten processe bedoelde sloot (niet primair voor afwatering, maar voor niet-bedrijfsmatige doorvaart naar het bestaande vaarwater, de Zanderijsloot).- Voorts verdient opmerking dat het hof ervan uitgaat dat volledige afkalving niet is te voorkomen,maar dat de beschoeiing zodanig moet zijn dat afkalving redelijkerwijs wordt voorkomen.b) Voldoet de huidige beschoeiing van houten palen en driedubbel winddoek aan deze eisen?c) Zo nee, wat zijn de kosten van het aanleggen van een deugdelijke beschoeiing tegen afkalven?
De diepte van de sloot(grief 4, vordering iii nog meer subsidiair van [geïntimeerden] ):
klaagt met grief 4 over de afwijzing van de gevorderde veroordeling van [appellant] om de sloot weer op een diepte van 1,50 meter te brengen. De sloot is volgens [geïntimeerden] door de gebrekkige beschoeiing inmiddels deels verzand en heeft niet meer de afgesproken diepte van 1,50 meter. [appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
d) Mocht u de huidige beschoeiing ontoereikend achten:- Heeft dit tot gevolg (gehad) dat hierdoor oeverzand/-grond in de sloot terecht is gekomen?- Zo ja, bij benadering hoeveel (en op welke plaatsen)?- Zo ja, welke kosten zijn gemoeid met het op juiste diepte (1,50 meter) brengen van de sloot?
De legalisatie van de sloot: (grief 2, en vordering i meer subsidiair van [geïntimeerden] ).
klaagt over de afwijzing door de rechtbank van zijn vordering hieromtrent. Hij vordert thans: veroordeling van [appellant] , op straffe van een dwangsom, tot nakoming van de koopovereenkomst door alles te doen om de sloot te (laten) legaliseren, dan wel te bewijzen dat dat niet (meer) nodig is; bij gebreke waarvan wordt gevorderd veroordeling van [appellant] om aan vervangende schadevergoeding te betalen een bedrag van € 79.378,71, met buitengerechtelijke incassokosten en rente, althans een door het hof te betalen bedrag.
Daarnaast verwijst [appellant] naar de bepaling in koopovereenkomst 1 omtrent de verklaring van [geïntimeerden] dat hij bekend is met de publiekrechtelijke eisen omtrent het gebruik van het verkochte. Voorts zal recreatief gebruik van de sloot zeker in de toekomst zonder meer zijn toegestaan, hetgeen mede grond is waarom de gemeente niet optreedt tegen het recreatief gebruik van de sloot. Bovendien verklaart de door [geïntimeerden] genoemde gemeenteambtenaar dat niet tegen [geïntimeerden] zal worden opgetreden, hooguit tegen [appellant] . Ten overvloede wijst [appellant] er nog op dat incidenteel en kortdurend bevaren niet in strijd is met een andersluidende bestemming.
het door [appellant] op perceel 5 geplaatste windscherm, dat door de rechtbank onrechtmatig is geoordeeld
33.Het windscherm.[appellant] heeft op enig moment een windscherm (bestaande uit palen en donker gekleurd winddoek), geplaatst, en wel langs de volledige erfgrens van het hem toebehorende perceel 5, dicht bij de achterzijde van het Perceel. De rechtbank heeft bij de plaatsopneming geconstateerd dat [geïntimeerden] aanzienlijke hinder ondervindt van deze schermen, die volgens [appellant] 2,40 m hoog zijn, gerekend vanaf het Perceel. Volgens [geïntimeerden] zijn deze 3,10 meter hoog, gerekend vanaf het maaiveld van het (lager gelegen) perceel 5.
Het beroep van [appellant] op gewasbescherming wordt door het hof niet overtuigend geoordeeld. Niet alleen worden op vergelijkbare plaatsen in de aangrenzende percelen (6 en 7) door de telers geen windschermen of erfafscheidingen gebruikt, maar bovendien heeft [geïntimeerden] onweersproken aangevoerd dat in de tuinbouw schermen van 1,40 meter gebruikelijk zijn. In het licht hiervan is door [appellant] niet uitgelegd waarom het door hem geplaatste windscherm vele malen hoger is (ongeveer 3,10 m) dan kennelijk in het algemeen nodig is voor zijn gewasbescherming. Voor zover [appellant] een beroep heeft gedaan op zijn plannen om ook perceel 5 te verkopen om er een huis op te bouwen, gaat dit argument niet op, reeds omdat perceel 5 thans nog steeds een agrarische bestemming heeft. Overigens nog daargelaten dat het betreffende windscherm pal tegen de gehele erfgrens aan staat, hetgeen iets heel anders is om tegenaan te kijken dan een woonhuis (op enige afstand). Zoals gezegd, wordt perceel 5 waarop de windschermen zijn geplaatst thans niet gebruikt voor bewoning, maar louter voor (incidentele) tuinbouw. Het beroep van [appellant] op zijn privacy (hij wil niet rechtstreeks bekeken worden) is in de gegeven omstandigheden van beperkt belang, laat staan doorslaggevend. Zoals gezegd oefent [appellant] slechts incidenteel tuinbouw uit op perceel 5, terwijl [appellant] bovendien de helft van het jaar in Indonesië verblijft.
Omtrent het door [appellant] gestelde recht om zijn erf af te sluiten, oordeelt het hof dat de windschermen daartoe, ook in de visie van [appellant] , niet zijn bestemd, zodat dit argument ‘er met de haren bij is gesleept’, althans ontoereikend is, zeker gelet op het feit dat [appellant] zijn overige percelen 6 en 7 niet heeft afgesloten (en de telers van die percelen dit evenmin hebben gedaan). Het beroep van [appellant] op de jurisprudentie rondom balkons (ECLI:NL:HR:2016:2824) wordt verworpen, althans in deze specifieke situatie niet doorslaggevend geacht, nu het opgehoogde perceel van [geïntimeerden] niet hetzelfde is als een balkon(achtige constructie), zeker niet nu het uitzicht betreft op een akker (perceel 5) waar niemand woont.
de door [appellant] op perceel 5 geplaatste roerende zaken
De vordering tot verwijdering van de roerende zaken is door de rechtbank wegens onvoldoende onderbouwing verworpen.
de kwestie van de afwatering
[geïntimeerden] te veroordelen om binnen een maand na betekening van het ten deze te wijzen arrest
[geïntimeerden] heeft het Perceel na aankoop fors opgehoogd, waarbij hij zijn hele perceel op de hoogte van de openbare weg heeft gebracht, terwijl het onderhavige gebied, afgezien van de weg zelf, juist veel lager ligt. Ook de percelen van [appellant] met daarop zijn huis en zijn tuinbouwgrond liggen op de oorspronkelijke laagte. Volgens [appellant] loopt het water nu van hoog naar laag en kan het niet penetreren in de dicht aangestampte grond op het perceel van [geïntimeerden] . Hierbij doet hij een beroep op artikel 5:39 BW Pro.
Hier komt bij dat de vordering van [appellant] in dit verband dusdanig vaag is dat het niet wel mogelijk is hier een concrete veroordeling aan te verbinden, zodat ook dit een afwijzingsgrond vormt. Grief III ligt voor afwijzing gereed, evenals vordering (a) met als grondslag ophoging.
de kwestie van de uitstekende delen van het schuurtje/ het overhangen van het schuurtje.
de kwestie van de door [geïntimeerden] ondergronds in perceel 5 aangelegde leidingen (zie r.o. 2.3)
klaagt in zijn grief V over de afwijzing door de rechtbank van zijn vordering tot verwijdering ervan. In hoger beroep vordert hij (met vordering b.), kort gezegd, verwijdering ervan. [geïntimeerden] heeft ten verwere aangevoerd dat hij toestemming heeft gekregen om deze leidingen aan te leggen.
voorlopige slotsom
deskundigenberichtgelast zal worden. [geïntimeerden] zal in de gelegenheid worden gesteld tot
bewijsleveringomtrent de noodzakelijke legalisatie van het varen over de sloot en de verkregen toestemming om leidingen in perceel 5 aan te leggen. In afwachting hiervan zullen de verdere beslissingen omtrent de meer subsidiaire vorderingen van [geïntimeerden] en vordering (b) van [appellant] worden aangehouden.
Omtrent de windschermen, de op perceel 5 geplaatste landbouwvoertuigen en de door [appellant] gewenste erfafsluiting heeft [geïntimeerden] het gelijk aan zijn zijde.
De vordering (a) van [appellant] (behoudens de verlegging van de regenpijp aan het schuurtje), de vorderingen (c) en (d) liggen voor afwijzing gereed.
De beslissing over de proceskosten (grief 7) zal worden aangehouden. Beslist zal worden als na te melden.
Beslissing
- verwijst de zaak
- laat [geïntimeerden] toe om te bewijzen(door middel van getuigen)
- dat hij de sloot nu niet en ook niet in de nabije toekomst mag bevaren zonder legalisatie door de gemeente (r.o. 30);
- dat hij toestemming heeft gekregen voor de aanleg van de leidingen in perceel 5 (r.o. 50 en 51); - bepaalt dat, indien [geïntimeerden] getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. M.A.F. Tan-de Sonnaville op
- bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden oktober 2019 tot en met januari 2020, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;
- verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat overlegging daarvan voor het getuigenverhoor niet nodig is;
- houdt iedere verdere beslissing aan.