Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 17 september 2019
in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van:
1 [naam 1] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna te noemen: [appellanten] (mannelijk enkelvoud),
advocaat mr. P.J. Ph. Dietz de Loos te Wassenaar,
STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid),
geïntimeerde,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat mr. M. Dijkstra te Den Haag.
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
De feiten
(2.1) Nadat onder andere tegen [appellanten] en [X] B.V. (hierna ook: de [Xbedrijven] ) een faillissementsverzoek was ingediend, was de behandeling hiervan aanvankelijk bepaald op de locatie Alkmaar van de rechtbank Noord-Holland. Op verzoek van de [Xbedrijven] is de behandeling verwezen naar de locatie Haarlem van de rechtbank Noord-Holland. Daar werd het verzoek in Haarlem behandeld op 21 juni 2016 door mr. W.S.J. Thijs. Kort na aanvang van deze behandeling hebben de [Xbedrijven] een wrakingsverzoek ingediend tegen zowel mr Thijs als de gehele rechtbank Noord-Holland.
(2.2) De wrakingskamer van de rechtbank Noord-Holland heeft besloten geen datum voor een mondelinge behandeling te bepalen en heeft het wrakingsverzoek op 5 juli 2016 buiten behandeling gesteld. Tevens is daarbij bepaald dat een volgend verzoek om wraking (behoudens nieuwe feiten of omstandigheden) wegens misbruik van het wrakingsmiddel evenmin in behandeling zal worden genomen. [Hof: de inhoud van deze beslissing is geciteerd in het bestreden vonnis].
(2.3) Hierna is de behandeling van het faillissementsverzoek voortgezet. Bij beslissing van 19 juli 2016 heeft de rechtbank Noord-Holland het verzoek afgewezen. Het Hof Amsterdam heeft in hoger beroep bij beschikking van 13 september 2016 de [Xbedrijven] alsnog failliet verklaard.
De vorderingen van [appellanten] in eerste aanleg en de beslissingen in het bestreden vonnis (zakelijk weergegeven)
De vorderingen in hoger beroep
De grieven van [appellanten]
Beoordeling van de grieven 1a, 1b en 2
Het hof verduidelijkt dit nog als volgt. Tegen de beslissing op een wrakingsverzoek staat volgens artikel 39 lid 5 Rv Pro geen voorziening open. Dit betekent dat deze beslissing met de uitspraak van de wrakingskamer van de rechtbank definitief is. Dit is slechts anders als (i) sprake is van een doorbrekingsgrond (buiten het toepassingsgebied van betreffende regeling treden of ten onrechte buiten toepassing laten, dan wel het veronachtzamen van fundamentele rechtsbeginselen) én (ii) hierop in een hogere instantie een beroep is gedaan. Dit laatste is niet gebeurd. Reeds hierom valt het doek. De juistheid van de wrakingsbeslissing mag immers onder deze omstandigheden in de huidige procedure niet inhoudelijk worden getoetst. Er is bovendien geen enkele aanwijzing dat er sprake zou zijn geweest van (de uitzonderlijke situatie van) onrechtmatige rechtspraak.
Het is anders gezegd in de gegeven omstandigheden niet mogelijk om de wrakingsbeslissing toch nog door een andere rechterlijke instantie te laten beoordelen zoals [appellanten] feitelijk vordert. Grief 2 maakt dit niet anders. Dit verdraagt zich niet met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Overigens voorziet de wet niet in de mogelijkheid om een geheel gerecht te wraken en is wraking van een behandelend rechter niet mogelijk zonder concrete, op de persoon van de rechter toegespitste argumenten. De wrakingskamer van de rechtbank Noord-Holland kon daarom beslissen zoals zij heeft gedaan, zonder [appellanten] eerst te horen en zonder de zaak naar een andere rechtbank te verwijzen. Van een schending van fundamentele rechtsbeginselen is dus geen sprake. [appellanten] heeft bovendien geen belang meer bij een nieuwe behandeling van het wrakingsverzoek, aangezien de onderliggende faillissementsprocedure reeds is afgerond. Het door [appellanten] gewenste schadeherstel kan niet op deze manier, nog los van de vraag of er grond is voor aansprakelijkheid van de Staat. Dit betekent dat de rechtbank terecht de vorderingen I en II heeft afgewezen.
Beoordeling van de grieven 3 en 4
Deze grieven gaan over de vordering van [appellanten] om de Staat (bij wijze van schadevergoeding in natura) te gelasten te bewerkstelligen dat een onderzoek wordt gedaan naar de zogenaamde Novacap-affaire en de faillissementen van de [Xbedrijven] .
Volgens [appellanten] is de Staat voor dit falende systeem aansprakelijk, zo begrijpt het hof de stellingen van [appellanten] .
Slotsom
Beslissing
H.C. Grootveld en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 september 2019 in aanwezigheid van de griffier.