Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 10 september 2019
CSU Personeel B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
De schoonmaakwerkzaamheden worden uitgevoerd door CSU CS. De medewerkers zijn in dienst van CSU.
“13. Het geschil tussen partijen wordt gevormd door de vraag of - als gevolg van het faillissement van Albatros en de indiensttreding van [geïntimeerden] bij CSU PZ - de werking aan het bepaalde in artikel 2 lid Pro 2 D-deel van de CAO is komen te vervallen en daarmee ook het recht van [geïntimeerden] op de toeslagen, als genoemd in artikel 18 van Pro de CAO.
14. Vaststaat dat [geïntimeerden] op de in de bewuste bepaling opgenomen datum van 30 juni 2010 werkzaam waren in een hotel. Conform de bepaling behielden zij dus hun aanspraak op de toeslagpercentages van artikel 18 van Pro de CAO. Alleen als zij vrijwillig uit dienst zouden treden, vervalt volgens de tekst van artikel 2 lid Pro 2 D-deel van de CAO, het recht op de toeslagpercentages van artikel 18 van Pro de CAO.
18. Resumerend komt de kantonrechter tot het oordeel dat [geïntimeerden] recht hebben (behouden) op de toeslagpercentages van artikel 18 van Pro de CAO. Anders dan door CSU PZ betoogd, acht de kantonrechter dit resultaat onlogisch noch onredelijk. De door [geïntimeerden] (…) gevraagde verklaring voor recht kan dan ook worden gegeven.”
Het hof Amsterdam heeft vervolgens, anders dan de kantonrechter, geoordeeld – kort samengevat – dat het bepaalde in artikel 2 lid Pro 2 D-deel een overgangsbepaling inhoudt, die een situatie van behoud van rechten creëerde voor werknemers met een op 1 juli 2010 bestaande arbeidsovereenkomst vallende onder de werkingssfeer van de CAO, voor zover deze werknemers reeds voor 1 juli 2010 werkzaam waren in een hotel. Daarbij heeft het hof Amsterdam geoordeeld dat deze in de cao neergelegde uitzonderingssituatie, gericht op het behoud van verworven rechten, uitsluitend betrekking heeft op bestaande arbeidsovereenkomsten waarop de CAO van toepassing was. Vervolgens heeft het hof Amsterdam (r.o. 3.6.2 van het tussenarrest) onderzocht welke betekenis een dergelijke uitleg in dit geval heeft, nu [geïntimeerden] vanaf 3 december 2012 (op basis van een nieuwe arbeidsovereenkomst) in dienst zijn getreden bij CSU. In dat verband heeft het hof Amsterdam eerst vastgesteld dat er geen sprake is van een overgang van de rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomsten als bedoeld in artikel 7:663 BW Pro, nu artikel 7:666 BW Pro zich daartegen uitdrukkelijk verzet bij faillissement van de oorspronkelijke werkgever. Daarna heeft het hof Amsterdam onderzocht of er sprake was van een contractsoverneming in de zin van artikel 38 van Pro de CAO, welke vraag het hof Amsterdam (naar het oordeel van de Hoge Raad: ten onrechte) bevestigend heeft beantwoord.
Beslissing
opnieuw rechtdoende:
- wijst de vorderingen van [geïntimeerden] af;
- veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van CSU tot op 8 december 2014 begroot op € 600,- (2 punten) aan salaris advocaat;
- veroordeelt [geïntimeerden] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in het principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van CSU begroot op € 886,19 aan verschotten (€ 94,19 appeldagvaarding, € 81,- oproeping na verwijzing en € 711,- griffierecht), € 3.222,- aan salaris voor de advocaat (waarvan € 2.148,- voor het principaal appel en € 1.074,- voor het incidenteel appel) en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;
- veroordeelt [geïntimeerden] tot terugbetaling aan CSU van hetgeen CSU ter uitvoering van het vonnis van de kantonrechter aan [geïntimeerden] heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de datum van betaling tot aan de dag van terugbetaling;