Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 24 september 2019
1. [appellante 1] ,
2. [appellante 2] ,
3. [appellant 3] ,
4. [appellant 4] ,
,Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, Rijksvastgoedbedrijf en Ministerie van Infrastructuur en Milieu),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
[de erflater] verrichte ter plaatse voornamelijk onderhoudswerk aan wegen en terreinen op en om de [plaats] , terwijl andere aannemers werkten aan het onderhoud van de oevers en het technisch onderhoud van de brug en de [plaats] .
Ik kan mij niet herinneren dat er door wie dan ook toezeggingen zijn gedaan waaruit kan worden afgeleid dat aan [erflater] toestemming is gegeven de percelen in gebruik te nemen.”
[functies]
De vorderingen en de beslissing in eerste aanleg
De vorderingen en de grieven in hoger beroep
De beoordeling van het hoger beroep
Beoordeling van de grieven van [appellanten]
De eigendom van de percelen 1 en 2
“toen niet beter [wist] dan dat mijn toenmalige collega kantonnier [naam 1] heeft toegestaan dat de [erflater] zijn paarden en pony's daar stonden.”
“ [de erflater] deze percelen [behandelde] alsof hij daar eigenaar van was”, kan aan het voorgaande onvoldoende afdoen. Het gaat hierbij immers om een subjectieve indruk. [getuige 1] wist blijkens diens verklaring niet precies welke afspraken over het gebruik van de percelen door [de erflater] waren gemaakt, en heeft zich dat gelet op de goede samenwerking kennelijk ook nooit afgevraagd. De omstandigheid dat [de erflater] de percelen gebruikte voor begrazing en hooien en kennelijk daartoe de percelen afrasterde en onkruidbestrijdingswerkzaamheden verrichtte, houdt naar het hof begrijpt direct verband met de aard van het gebruik, althans de Staat mocht hiervan uitgaan. Als dat anders zou zijn, is de enkele verklaring van [getuige 1] in het licht van de overige door de Staat overgelegde verklaringen bovendien onvoldoende voor de conclusie dat de Staat zich ervan bewust zou zijn geweest dat [de erflater] eigendomspretenties had.
grieven I en II– waarin [appellanten] het oordeel van de rechtbank bestrijden dat er sprake zou zijn van een bruikleenovereenkomst – kunnen dus niet tot een ander oordeel over de eigendom van de percelen 1 en 2 leiden.
Grief III, waarin [appellanten] betogen dat [de erflater] wel degelijk als bezitter van de percelen 1 en 2 is opgetreden, kan gelet op het voorgaande ten aanzien van die percelen niet slagen.
grief Vbetogen [appellanten] dat de rechtbank het door hen aangedragen bewijs en hun bewijsaanbod ten onrechte zou hebben gepasseerd. [appellanten] hebben aangeboden te bewijzen dat [de erflater] de percelen in bezit heeft genomen en deze heeft gebruikt alsof hij daarvan eigenaar was. Het hof heeft hiervoor echter geoordeeld dat de feitelijke handelwijze van [de erflater] – die op zichzelf door de Staat niet bestreden is – niet kwalificeert als ondubbelzinnig bezit van de percelen door [de erflater] , en daarom ook niet kan leiden tot de verkrijging van de eigendom daarvan. Het door [appellanten] aangeboden bewijs kan dan ook niet leiden tot het oordeel dat [appellanten] eigenaar zijn geworden van de percelen. Het hof passeert dat bewijsaanbod om die reden als niet ter zake dienend.
Grief VIis ten slotte een veeggrief en hoeft niet afzonderlijk te worden besproken.