ECLI:NL:GHDHA:2019:2614

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
4 september 2019
Publicatiedatum
4 oktober 2019
Zaaknummer
200.241.520/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a RvArt. 816 lid 2 RvArt. 816 lid 6 RvArt. 1:100 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep partneralimentatie en verdeling gemeenschap na echtscheiding

Het gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep in een civiele zaak betreffende partneralimentatie, echtscheiding en verdeling van de gemeenschap van goederen. Partijen zijn gehuwd in 2015 en hebben een minderjarig kind geboren in 2017. De rechtbank had de echtscheiding uitgesproken en kinderalimentatie vastgesteld op €25 per maand.

De man kwam in hoger beroep tegen diverse onderdelen van de beschikking, waaronder de echtscheiding, kinderalimentatie en verdeling van schulden en goederen. De vrouw voerde verweer en stelde tevens incidenteel hoger beroep in. Het hof oordeelde dat de vrouw ontvankelijk was in haar verzoek tot echtscheiding, ondanks het ontbreken van een ouderschapsplan, omdat partijen niet in staat waren constructief overleg te voeren.

Het hof stelde de behoefte van het kind vast op €458 per maand en beoordeelde ambtshalve de draagkracht van partijen. De vrouw kon niet de helft van de behoefte dragen, de man kon binnen een half jaar een inkomen verwerven om €150 per maand kinderalimentatie te betalen. De verdeling van de inboedel werd als redelijk en billijk beoordeeld. De man werd veroordeeld tot vergoeding van kinderbijslag aan de vrouw en werd alleen draagplichtig gesteld voor een schuld aan zijn moeder, vanwege uitzonderlijke omstandigheden. De bestreden beschikking werd op deze punten vernietigd en aangepast.

Uitkomst: De man moet vanaf 1 februari 2020 €150 per maand kinderalimentatie betalen en is alleen draagplichtig voor de schuld aan zijn moeder.

Uitspraak

.

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling civiel recht
zaaknummers : 200.241.520/01 (echtscheiding); 200.241.523/01 (verdeling)
zaaknummers rechtbank : C/10/520900 (echtscheiding); C/10/535127 (verdeling)
rekestnummers rechtbank : FA RK 17-1344 (echtscheiding); FA RK 17-7665 (verdeling)
Beschikking van de meervoudige kamer van 4 september 2019
inzake
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. G.E. van der Pols te Rotterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. V. Vos te Rotterdam.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 26 maart 2018, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (hierna ook: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De man is op 25 juni 2018 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De vrouw heeft op 21 januari 2019 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De man heeft op 7 maart 2019 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Bij het hof zijn voorts van de zijde van de man de volgende stukken ingekomen:
- op 11 juli 2018 een journaalbericht van 10 juli 2019 met als bijlage een brief van 9 juli 2019 met bijlagen;
- op 25 juli 2018 een journaalbericht van 24 juli 2018 met bijlage;
- op 17 juni 2019 een journaalbericht van diezelfde datum met bijlagen.
2.5
De zaken zijn gezamenlijk op 28 juni 2019 mondeling behandeld. Verschenen zijn:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:
- partijen zijn gehuwd te [plaats] [in] 2015;
- het minderjarige kind van partijen is:
- [de minderjarige] , geboren [in] 2017 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige);
- partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
3.2
Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is, voor zover van belang in hoger beroep:
- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
- bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn;
- bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 1 maart 2018 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: kinderalimentatie), telkens bij vooruitbetaling, zal uitkeren € 25,- per maand;
- de wijze van verdeling van de gemeenschap gelast zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 2.10.6 tot en met 2.10.14 in de bestreden beschikking.
4.2
De man verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt:) voor zover deze ziet op de echtscheiding, de bank- en spaarrekeningen van de vrouw, de inboedel, de schulden en de kinderalimentatie, en opnieuw rechtdoende:
- de verzoeken van de vrouw af te wijzen;
- te bepalen dat de vrouw, op basis van de exhibitieplicht van artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) aan de man dient te overleggen kopieën van de bankafschriften van de bank- en spaarrekeningen van de vrouw over de periode van zes maanden voor de peildatum;
- het verzoek tot echtscheiding aan te houden en te bepalen dat partijen een ouderschapsplan dienen te maken met betrekking tot de minderjarige;
- de kinderalimentatie op nihil te stellen;
- de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen en te bepalen dat aan de vrouw toekomen de inboedelgoederen van de echtelijke woning met uitzondering van de wasmachine, twee kledingkasten, het bed, de magnetron, de tafel en twee stoelen welke aan de man toebedeeld worden;
- te bepalen dat de vrouw aan de man dient te betalen de helft van het door haar gespaarde geldbedrag op peildatum inclusief het geldbedrag dat zij gedurende zes maanden voor datum indiening van het echtscheidingsverzoek (14 februari 2017) van deze rekening heeft overgemaakt;
- te bepalen dat partijen gehouden zijn de helft van de schulden, inclusief de helft van de Visa-Card schuld, dienen te voldoen.
4.3
De vrouw verweert zich daartegen en verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
in principaal hoger beroep:
- de verzoeken van de man in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking op deze punten te bekrachtigen;
in incidenteel hoger beroep:
- de bestreden beschikking voor wat betreft de vaststelling dat de schuld bij de moeder van de man een bestanddeel is van de gemeenschap en ieder der partijen draagplichtig is voor aflossing van deze schuld te vernietigen en het inleidend verzoek van de man te bepalen dat de vrouw draagplichtig is voor aflossing van deze schuld af te wijzen.
4.4
De man verzet zich daartegen en verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het incidenteel hoger beroep van de vrouw af te wijzen.
4.5
Het hof ziet aanleiding het in principaal en incidenteel aangevoerde gezamenlijk te behandelen en overweegt als volgt.

5.De motivering van de beslissing

Ontvankelijkheid van het verzoek tot echtscheiding
5.1
Het hof is van oordeel dat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek tot echtscheiding. Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de rechtbank ten aanzien van de echtscheiding op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt ze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een andere beslissing leiden. De man beroept zich op het vereiste van het overleggen van een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan (artikel 816 lid 2 Rv Pro). Ingevolge artikel 816 lid 6 Rv Pro kan het hof aan deze processuele eis voorbij gaan wanneer het overleggen van een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd. Het is het hof gebleken dat partijen niet in staat zijn op constructieve wijze met elkaar te overleggen. Het hof is daarom van oordeel dat het overleggen van een ouderschapsplan redelijkerwijs niet van de vrouw kan worden gevergd, zodat het ontbreken hiervan de ontvankelijkheid van de vrouw in haar verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen niet in de weg staat.
De kinderalimentatie
5.2
Het hof stelt voorop dat kinderalimentatie hoge prioriteit heeft en dat het wettelijk systeem inhoudt dat beide ouders onderhoudsplichtig zijn jegens de minderjarige. Hierbij staan de behoefte van de minderjarige en de draagkracht van partijen centraal. Partijen hebben zelf geen financiële gegevens overgelegd. Het hof ziet daarom aanleiding om ambtshalve de draagkracht van beide partijen te beoordelen.
5.3
De behoefte staat niet ter discussie en bedraagt € 458,-.
5.4
De vrouw heeft een beperkte draagkracht en is niet in staat de helft van de behoefte voldoen.
5.5
Ten aanzien van de drachtkracht van de man gaat het hof van het volgende uit. Het hof houdt geen rekening met de schulden, aangezien de man onvoldoende verifieerbare informatie heeft verstrekt daarover. Met betrekking tot de verdiencapaciteit van de man overweegt het hof als volgt. De man heeft een gymnasiale schoolopleiding met goed gevolg heeft afgesloten en een bachelor fiscaal recht heeft behaald. De man kan dus werk gaan zoeken in de administratieve sector en dienstverlening. Gezien de vooropleiding van de man en het tekort aan arbeidskrachten, is het hof van oordeel dat hij binnen een half jaar een zodanig inkomen kan verwerven dat hij voornoemd bedrag van € 150,- per maand aan kinderalimentatie kan voldoen.
5.6
Het hof acht het redelijk om de man nog een half jaar - na datum van deze beschikking - de gelegenheid te geven om betaald werk te vinden. De man is dan vanaf 1 februari 2020 in staat om een kinderalimentatie te voldoen van € 150,- per maand.
De verdeling
De inboedel
5.7
Het hof heeft uit de stellingen van partijen begrepen dat er slechts sprake is van een beperkte inboedel. Het is een algemeen bekend gegeven dat een gebruikte inboedel weinig of geen waarde vertegenwoordigt. Beide partijen dienen zich te realiseren dat de vrouw de dagelijkse zorg heeft voor de minderjarige en ook voor de minderjarige bepaalde goederen nodig heeft, waaronder een wasmachine. Door de vrouw is gesteld dat de man een Apple computer heeft meegenomen. Gezien de beperkte omvang van de inboedel en het feit dat beide partijen over enige goederen beschikken acht het hof de wijze van verdeling zoals door de rechtbank is geschied redelijk en billijk. De grief van de man treft dus geen doel.
De spaar- en bankrekeningen van de vrouw
5.8
Het hof begrijpt uit de grief van de man dat hij van mening is dat de vrouw gelden van de gemeenschap - zes maanden voorafgaande aan de echtscheidingsprocedure - heeft verspild.
5.9
De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft onder meer gesteld dat er in de betreffende periode veel goederen moesten worden aangeschaft voor de baby. Partijen beschikten niet over voldoende inkomsten om de kosten te dekken.
5.1
Gezien de gemotiveerde betwisting door de vrouw, en bij gebrek aan nadere onderbouwing of bewijsvoering door de man, gaat het hof voorbij aan de stelling van de man dat er sprake is geweest van verspilling van goederen.
5.11
In het kader van de informatievoorziening met betrekking tot de omvang van de gemeenschap (omvang spaarsaldi) is het hof van oordeel dat de vrouw aan haar wettelijke verplichting heeft voldaan. Er is geen grond aanwezig voor toepassing van art 843 a Rv.
De schuld bij de Visa Card
5.12
Beide partijen zijn het er over eens dat zij beiden draagplichtig zijn met betrekking tot de Visa Card. Nu partijen overeenstemming hebben over dit punt heeft het hof het hof geen rechtsmacht meer.
De kinderbijslag
5.13
Het hof stelt vast dat het bedrag van € 197 na de datum van de ontbinding van de gemeenschap aan de man is betaald. De betaalde kinderbijslag heeft deels betrekking op de periode dat de gemeenschap nog niet was ontbonden en deels op de periode na ontbinding van de gemeenschap. De man dient aan de gemeenschap te vergoeden dat deel van de kinderbijslag dat betrekking heeft op de periode dat de gemeenschap niet was ontbonden en de man dient aan de vrouw te voldoen dat deel van de kinderbijslag dat betrekking heeft op de periode na ontbinding van de gemeenschap. De bestreden beschikking kan derhalve op dit onderdeel niet in stand blijven.
De schuld bij de moeder van de man
5.14
Het hof overweegt als volgt. Het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend voor 1 januari 2018, derhalve is artikel 1:100 BW Pro oud van toepassing. De hoofdregel is dat beide partijen voor een gelijk deel draagplichtig zijn met betrekking tot gemeenschapsschulden. Slechts onder uitzonderlijke omstandigheden kan hiervan worden afgeweken. Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die een afwijking van de draagplicht bij helfte rechtvaardigen. De schuld is aan de zijde van de man vijf jaar geleden ontstaan. De man heeft de vrouw voorafgaande aan het huwelijk niet geïnformeerd over de schuld die hij aan zijn moeder heeft. Er is sprake van een zeer kortstondig huwelijk hetgeen tot gevolg heeft dat de schuld ook niet uit gemeenschapsgelden kan worden terugbetaald. Al deze omstandigheden in ogenschouw genomen is het hof van oordeel dat met betrekking tot de schuld van de man aan zijn moeder alleen hij draagplichtig is. In zoverre treft de grief van de vrouw doel.

6.De beslissing

Het hof:
in het principaal en in het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze ziet op de kinderalimentatieverplichting van de man vanaf 1 februari 2020 en in zoverre opnieuw beslissend:
bepaalt dat de man aan de vrouw:
- met ingang van 1 februari 2020 aan kinderalimentatie € 150,- per maand zal voldoen, telkens bij vooruitbetaling;
vernietigt de betreden beschikking met betrekking tot de verdeling voor zover daarbij is beslist dat:
- de man aan de vrouw ter zake de kinderbijslag een bedrag dient te voldoen van € 197,-;
- de vrouw voor de helft draagplichtig is met betrekking tot de schuld aan de moeder van de man;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de man aan de gemeenschap dient te vergoeden dat deel van de kinderbijslag dat betrekking heeft op de periode voor ontbinding van de gemeenschap en voor zover de kinderbijslag betrekking heeft op de periode na ontbinding van de gemeenschap dient de man het bedrag te voldoen aan de vrouw;
bepaalt dat de man alleen draagplichtig is met betrekking tot de schuld aan zijn moeder;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, A.C. Olland en L.H.M. Zonnenberg, bijgestaan door mr. H.B. Brandwijk als griffier, en is op 4 september 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.