Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 1 oktober 2019
[naam 1] ,
1. [naam 2] ,
2. [naam 3] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
wederzijds goedvindenals bedoeld in artikel 7:271 lid 8 BW Pro is beëindigd, althans dat [geïntimeerden] . geen recht toekomt op huurbescherming omdat dit misbruik van recht oplevert/onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, en voorts te bepalen dat [geïntimeerden] . met ingang van voormelde data zonder recht of titel in de woning verblijft;
eerstegrief is gericht tegen de afwijzing van de gevorderde ontbinding wegens wanprestatie. Volgens de
tweedegrief heeft de kantonrechter ten onrechte de vordering tot betaling van de huurachterstand afgewezen als onvoldoende onderbouwd. De
derdegrief betreft de afwijzing van de vordering tot betaling van de heffingen en belastingen. Volgens de
vierdegrief heeft de kantonrechter ten onrechte de vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst op grond van dringend eigen gebruik afgewezen.
primairevordering eerst bespreken of sprake is van beëindiging met wederzijds goedvinden. Daarbij wordt voorop gesteld dat, anders dan [geïntimeerden] . aanvoert, een schriftelijke instemming geen wettelijk vereiste is nu [appellante] zich niet op art. 7:272 lid 2 BW Pro heeft beroepen maar op art. 7: 271 lid 8 BW. Bij de vraag of de huurovereenkomst (mondeling) is beëindigd met wederzijds goedvinden, moet terughoudendheid worden betracht. [appellante] heeft aangevoerd dat [geïntimeerden] . toezeggingen heeft gedaan dat hij uiterlijk eind van het jaar 2016/begin 2017 en vervolgens per 31 januari 2017 de woning zou verlaten. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [appellante] verklaringen van [naam 4] en [naam 5] overgelegd (productie 7 en 8 bij mvg). Het hof is van oordeel dat uit die verklaringen niet kan worden afgeleid dat [geïntimeerden] . met de beëindiging van de huurovereenkomst heeft ingestemd. Zelfs indien juist is dat hij de door [appellante] gestelde toezeggingen heeft gedaan ( [geïntimeerden] . bestrijdt dit), betreft het immers uitsluitend vage toezeggingen en [geïntimeerden] . heeft ook, toen hem gevraagd werd een overeenkomst (het hof neemt aan: ter beëindiging van de huurovereenkomst) te tekenen, deze verscheurd en weggegooid. Uit deze handelingen en gedragingen van [geïntimeerden] . kan niet worden afgeleid dat [geïntimeerden] . instemde met beëindiging van de huurovereenkomst en evenmin mocht [appellante] erop vertrouwen dat hierin een instemming besloten lag. Daarvan uitgaande valt evenmin in te zien hoe een aanspraak op huurbescherming die [geïntimeerden] . aan de huurovereenkomst zou kunnen ontlenen, misbruik van recht zou kunnen opleveren, of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou kunnen zijn. [appellante] heeft die stelling niet verder onderbouwd. De primaire vordering is daarom niet toewijsbaar. Het bewijsaanbod van [appellante] op dit punt wordt als niet ter zake dienend gepasseerd.
subsidiairgevorderde en de geldvorderingen en de bespreking van de eerste drie grieven moet beoordeeld worden of sprake is van een huurachterstand, onbetaalde belastingen en/of wangedrag en zo ja, of deze tekortkomingen de ontbinding rechtvaardigen.
terme de grâce.
terme de grâce.
Beslissing
opnieuw rechtdoende: