ECLI:NL:GHDHA:2019:2834
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging vonnis kort geding gezagsgeschil verhuizing minderjarige ondanks verbod
Partijen waren gehuwd en oefenen gezamenlijk gezag uit over hun minderjarige zoon. De moeder wilde met het kind naar een andere plaats verhuizen, maar de rechtbank weigerde haar hiervoor vervangende toestemming te verlenen. Desondanks verhuisde zij met het kind, waarna de vader een kort geding startte. De voorzieningenrechter legde een dwangsom op en bepaalde dat het kind bij de vader zou verblijven als de moeder niet terugkeerde.
De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissing en stelde onder meer dat de dwangsom te hoog was en dat zij recht had op kostencompensatie. Het hof constateerde dat partijen in een aparte bodemprocedure inmiddels een regeling hadden getroffen waarbij de vader toestemming gaf voor de verhuizing per begin 2019, waardoor het spoedeisend belang van het hoger beroep was komen te vervallen.
Het hof oordeelde dat de dwangsom terecht was opgelegd omdat de moeder eigenmachtig had gehandeld. De hoogte van de dwangsom werd niet gewijzigd omdat deze een prikkel moest vormen om de uitspraak na te komen. De kostenveroordeling in eerste aanleg werd bekrachtigd omdat de moeder de situatie zelf had veroorzaakt. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. De overige vorderingen werden afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis met dwangsommen wegens eigenmachtige verhuizing en compenseert de proceskosten in hoger beroep.