Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 5 november 2019
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid),
Het geding
De feiten
De vorderingen van [appellanten] , de beslissing van de rechtbank en de grieven
effective remedy’moet bieden. Deze houdt volgens vaste rechtspraak van het EHRM naast een deugdelijk, onafhankelijk officieel onderzoek, vergoeding in van zowel de materiële als de immateriële schade van de nabestaanden. Ten slotte heeft de Staat inbreuk gemaakt op het recht van [appellanten] op gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro, aldus nog steeds [appellanten]
eerste griefkomen [appellanten] op tegen het oordeel van de rechtbank dat hun algemene verwijt, inhoudende dat het plaatsingsbeleid ten tijde van het incident een eenzijdige focus kende op het gevaar buiten de gevangenismuren en geen, althans onvoldoende, aandacht besteedde aan het risico voor medegedetineerden, geen doel treft. Volgens de
tweede griefheeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het niet onrechtmatig was van de Staat om [X] na de steekpartij in Zwaag in een regime van algehele gemeenschap te plaatsen en niet op een BPG-afdeling. De rechtbank heeft volgens [appellanten] ten onrechte als uitgangspunt genomen dat plaatsing in een BPG-regime het enige alternatief was voor plaatsing in een regime van algehele gemeenschap. Volgens de
derde griefoordeelt de rechtbank ten onrechte dat uit de fout dat geen warme overdracht heeft plaatsgevonden geen aansprakelijkheid voortvloeit. Met de
vierde griefkomen [appellanten] op tegen het oordeel dat geen sprake is van aansprakelijkheid voor een gebrekkig gebouw als bedoeld in art. 6:174 BW Pro.
De beoordeling
eerste drie grievengezamenlijk behandelen. Het hof stelt daarbij het volgende voorop. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van schending van art. 2 EVRM Pro gaat het hof, evenals partijen en de rechtbank, uit van de maatstaf neergelegd in het arrest van het EHRM van 14 maart 2002, 46477/99, Paul and Audrey Edwards v. the United Kingdom. Die maatstaf komt erop neer dat, gegeven de moeilijkheden die gepaard gaan met het uitoefenen van toezicht op moderne samenlevingen, de onvoorspelbaarheid van menselijk gedrag en de operationele keuzes die moeten worden gemaakt in termen van prioriteiten en beschikbare middelen, het bereik van de positieve verplichtingen beoordeeld moet worden op een manier die op de schouders van de nationale autoriteiten niet een onmogelijke en onevenredige last legt. Er rust op de autoriteiten geen positieve verplichting om iedere vorm van geweld te voorkomen. De autoriteiten dienen slechts een redelijk beschermingsniveau (“
a reasonable level of protection”) ten aanzien van de bevolking en eventueel ten opzichte van individuen te garanderen. Aansprakelijkheid wegens schending van de positieve verplichtingen uit hoofde van art. 2 EVRM Pro kan aan de orde zijn wanneer de autoriteiten niet alles hebben gedaan wat redelijkerwijs van hen verwacht mocht worden teneinde een reëel en onmiddellijk gevaar (“
a real and immediate risk”) te vermijden waarvan zij op de hoogte waren of hadden moeten zijn. Onder bepaalde omstandigheden bestaat er een positieve verplichting om te voorzien in preventieve maatregelen om inwoners wier leven kenbaar reëel en onmiddellijk in gevaar is te beschermen tegen criminele activiteiten van anderen (EHRM 28 oktober 1998, 23452/94, Osman v. the United Kingdom). Er worden hogere eisen gesteld wanneer het potentiële slachtoffer tevoren identificeerbaar is dan wanneer dat niet het geval is (EHRM 24 oktober 2002, Mastromatteo v. Italië, 37703/97, par. 68). Het EHRM heeft in genoemd arrest van Edwards v. UK voorts (opnieuw) benadrukt (par. 56) dat gevangenen zich in een kwetsbare positie bevinden en de Staat een plicht heeft hen te beschermen.
.
.In lijn met de hiervoor bij 7 geformuleerde maatstaf dient hier de vraag centraal te staan of de Staat door [X] te plaatsen in [PI 1] , een instelling met algehele gemeenschap, en de wijze waarop de Staat daar met [X] is omgegaan, heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht mocht worden om risico’s voor medegedetineerden te voorkomen, zoals deze zich ten aanzien van [A] hebben gerealiseerd. Datzelfde geldt voor het verwijt van [appellanten] dat [X] na de steekpartij in [PI 4] niet op een BPG-afdeling is geplaatst.
structureelverstoort, zoals voortgezet crimineel handelen. Het bestendige karakter van het verstorende gedrag is een belangrijk criterium. Toepassing van dit criterium leidt tot het oordeel dat niet gezegd kan worden dat [X] zich structureel schuldig heeft gemaakt aan gedrag dat de orde, rust of veiligheid binnen een inrichting verstoorde. De onder 1.2 opgesomde incidenten uit de detentiehistorie lijken weliswaar talrijk, maar in wezen gaat het om zes ernstige incidenten die zich over een periode van negen jaar met telkens geruime tijd ertussen hebben voorgedaan. Tegen de achtergrond
naar een andere afdelingonrechtmatig is geweest.
Normaal wordt er van een incident door een PlW-er een rapport opgesteld. Bij mijn weten is dat nu ook gebeurd maar dat weet ik niet zeker. In ieder geval is het incident met een directielid besproken, in dit geval het hoofd Veiligheid. Vervolgens heeft er een afweging plaatsgevonden en (is) besloten op dit moment niets te doen omdat er geen feiten vaststonden.”. Ingeval bij [X] een “alarmbel” had gestaan, had ook het hoofd Veiligheid beschikt over de wetenschap dat [X] een serieus risico voor anderen kon opleveren en had hij een indringende rapportage van [het afdelingshoofd] op waarde kunnen schatten.
vierde grief, betreffende de aansprakelijkheid van de Staat voor een gebrekkig gebouw ex art. 6:174 BW Pro, stellen [appellanten] dat de Staat een gevaarzettende situatie heeft gecreëerd en in stand gelaten, omdat er geen lift was van 1.05m bij 2.05m waar een brancard in past. Zij betogen dat de lift niet voldeed aan de algemene bepaling van art. 1a van de Woningwet en niet voldeed aan EU Richtlijn 2014/33/EU (de liftrichtlijn), meer in het bijzonder aan de veiligheidseisen gesteld in de bijlage daarbij (die verwijst naar de machinerichtlijn).
effective remedy” voor een inbreuk op het verdrag, wat naar hun mening zo moet worden uitgelegd dat art. 13 EVRM Pro hen recht geeft op immateriële schadevergoeding, ook al kent de nationale wetgeving die voor een geval als dit niet. Zij verwijzen daarbij onder meer naar meergenoemde zaak Edwards en naar de zaak Keenan v. United Kingdom, no. 27229/95, par. 129.
an appropriate form of redress in itself” (zie ook EHRM 31 januari 2019, Georgia v. Russia (I), appl.no. 13255/07, par. 73).