ECLI:NL:GHDHA:2019:294
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- W.P.C.M. Bruinsma
- M.C.R. Derkx
- B.P. de Boer
- Rechtspraak.nl
Nietigheid inleidende dagvaarding wegens onjuiste betekening en terugwijzing naar rechtbank
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf voor diverse diefstallen, met uitzondering van een vrijspraak voor een specifieke diefstal. Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld. Tijdens het hoger beroep stelde de verdediging dat de dagvaarding niet rechtsgeldig was betekend, omdat niet was voldaan aan de wettelijke vereisten voor uitreiking aan een niet-ingeschreven adres.
Het hof stelde vast dat de verdachte bij zijn eerste politieverhoor twee adressen had opgegeven, waarvan één in België en één in Nederland. De dagvaarding was als afschrift naar beide adressen gestuurd, maar volgens artikel 588 Sv Pro had de dagvaarding aan het Nederlandse adres moeten worden uitgereikt, omdat het Belgische adres niet in de basisregistratie personen stond ingeschreven.
Omdat deze uitreiking niet had plaatsgevonden, oordeelde het hof dat de betekening niet rechtsgeldig was. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd, de dagvaarding nietig verklaard en de zaak terugverwezen naar de rechtbank Rotterdam om opnieuw recht te doen met inachtneming van de juiste procedure.
Uitkomst: De inleidende dagvaarding is nietig verklaard en de zaak is terugverwezen naar de rechtbank.