ECLI:NL:GHDHA:2019:305
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake beheer PGB en medicatie bij gehandicapt kind van gescheiden ouders
In deze zaak stonden de rechten en plichten van gescheiden ouders met gezamenlijk ouderlijk gezag over hun meervoudig gehandicapte dochter centraal. De kern van het geschil betrof het beheer van het persoonsgebonden budget (PGB), de aanstelling van een gewaarborgde hulp en de medicatie die aan het kind moest worden toegediend.
De vader was in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de voorzieningenrechter dat onder meer bepaalde dat de moeder het PGB beheerde en als gewaarborgde hulp was aangewezen. Hij wijzigde zijn eis tijdens het proces, maar deze wijziging werd niet toegelaten vanwege strijd met de twee-conclusieregel en het ontbreken van nieuwe feiten.
Het hof stelde vast dat het spoedeisend belang van de vader was komen te vervallen, mede omdat het zorgkantoor inmiddels een zorgovereenkomst met hem had geaccepteerd en de medicatie van het kind gestabiliseerd was. Ook ontbrak spoedeisend belang bij andere vorderingen. Het bewijsaanbod van de vader werd gepasseerd wegens onvoldoende specificiteit.
Het hof verwierp het hoger beroep van de vader en bekrachtigde het bestreden vonnis voor wat betreft de kostencompensatie. De proceskosten in hoger beroep werden tussen partijen gecompenseerd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vader wordt verworpen wegens ontbreken van spoedeisend belang en niet-toelating van eiswijziging.