Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 3 december 2019
gevestigd te Rosmalen,
Heijmans Vastgoed B.V.,
AM Vastgoedontwikkeling B.V.,
hierna alle appellanten gezamenlijk te noemen: Chassé c.s. (mannelijk enkelvoud),
Woningborg N.V.,
hierna te noemen: Woningborg,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
15.1 Gegarandeerd wordt dat de toegepaste constructies, materialen en onderdelen, en de installatie, onder redelijkerwijs voorziene externe omstandigheden deugdelijk zijn en bruikbaar voor het doel waarvoor ze zijn bestemd; een en ander voor zover in deze garantie- en waarborgregeling ter zake geen beperkingen zijn opgenomen.
nalatig blijft om binnen de in het ingevolge deze regeling gegeven arbitrale vonnis genoemde termijn aan enige aan hem opgelegde verplichting te voldoen, wordt de verkrijger[in dit geval de VvE’s, toevoeging hof]
, zonder dat een ingebrekestelling vereist is, op zijn schriftelijke aanvrage voor de voor hem daaruit ontstane schade door de Stichting[Woningborg, toevoeging hof]
schadeloos gesteld.
eindrapport bemiddeling’’, dat gedeeltelijk in deze procedure is overgelegd, voor zover thans van belang, het volgende geschreven:
Op 20 december 2001 is ondergetekende (…) als bemiddelaar aangesteld (…).
Op verzoek van Bam Wilma is er eerst aandacht gegeven aan het elimineren van de mogelijke oorzaken. Daarbij is onder andere gebleken dat op ontwerp en/of uitvoeringstekeningen geen gevelafdichtingen zijn aangegeven. In september 2002 is er in aanwezigheid van betrokken ondernemers en de fabrikant Schüco[van de buitenkozijngevels, toevoeging hof]
een gevelonderzoek uitgevoerd. Daaruit is gebleken dat er ernstige tekortkomingen in ontwerp en de uitvoering aan de orde zijn. De heer [werknemer Facade] van Façade heeft één en ander fotografisch vastgelegd en aan partijen toegelicht.’’
De schuifpuien van alle torens zullen integraal worden hersteld.
zal geschieden conform de inventarisatielijst[met huisnummers van die appartementen waarvan de bewoners concreet hebben aangegeven dat zij lekkages ondervinden, toevoeging hof]
van Woningborg en de betreffende Vereniging van Eigenaars van toren 2, 3 en 4.’’
aan de gevels(…) [helaas]
meer tijd in beslag[nemen]" dan eerder voorzien, maar dat zij verwachtte deze rond januari 2004 te hebben afgerond.
de klachten met betrekking tot de buitenkozijngevels’’ naar voren brachten, inhoudende dat deze “
veel lekkages’’ vertonen en de “
technische uitvoering(…) [hiervan]
te wensen over[laat]’’. In dit verband hebben zij (samengevat) gevorderd Chassé te veroordelen tot vervanging van de buitenkozijngevels.
8. (…) De deskundige[de heer [deskundige], technisch inspecteur bij de Afdeling Arbitrage van het GIW, toevoeging hof]
heeft adviesbureau Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V. te 's-Hertogenbosch (nader te noemden: de externe deskundige) opdracht gegeven tot het verrichten van een technisch onderzoek.
.
reeds in uitvoering is genomen en de VvE haar verweer in dit verband niet heeft onderbouwd is er naar het oordeel van arbiters geen aanleiding om de in het herstelplan opgenomen herstelmethodiek ter discussie te stellen. Het blijft niettemin te allen tijde de verantwoordelijkheid van Chassé om al het nodige te doen met betrekking tot dit onderdeel van de klacht zodat wordt voldaan aan het gestelde in het dictum van het vonnis.
III. veroordelen Chassé ten aanzien van de klachten 1 (voor wat betreft het onderdeel met betrekking tot de lekkages aan de buitenkozijnengevels) (...) tot het verrichten van zodanige werkzaamheden dat alsnog wordt voldaan aan de garantienormen, alsmede tot het verrichten van alle hieruit voortvloeiende noodzakelijke bijkomende werkzaamheden, met dien verstande dat indien één van de
beroep op de waarborg’’), voor zover thans relevant, hierop als volgt gereageerd:
Gezien de diverse andere lopende kwesties, zijn wij nog steeds niet in de gelegenheid om het resterende herstel aan de gevels uit te voeren.(…)
Omdat, zoals u aangeeft in uw schrijven, de VVE’s geen enkel vertrouwen meer hebben in herstel door de Ontwikkelingscombinatie Chassé C.V., hebben wij u voorgesteld dit te doen onder begeleiding en verantwoording van Woningborg met gebruikmaking van de leverancier van de gevelpuien.’’
Vraag I: Heeft Chassé volledig aan voormelde vonnissen en daarmee aan de toepasselijke GIW Garantienormen voldaan?
van € 4.500,-- ter zake van herstelkosten van een in eigendom van deze VvE zijnde ‘dakwagen’, die beschadigd was geraakt gedurende de onderzoeken door Woningborg naar de buitenkozijngevels.
second opinionuitgebracht betreffende de tot dan toe verrichte onderzoeken aan de buitenkozijngevels (hierna: het NK-rapport). Kort gezegd bekritiseert Nieman-Kettlitz de eerdere onderzoeken van TNO en Van den Bergh. Zij concludeert op basis van haar bureaustudie dat eventuele lekkages incidenteel van aard zijn en slechts door (incidentele en geen structurele) uitvoeringsfouten bij de installatie van de buitenkozijngevels kunnen zijn veroorzaakt. Hierdoor is van een structureel probleem dat tot generiek herstel noopt, geen sprake. Bovendien is het arbitrale vonnis gebaseerd op een verkeerde veronderstelling met betrekking tot de samenstelling (van het ‘dichtingssysteem’) van de buitenkozijngevels, waardoor de Chassé ten onrechte is veroordeeld, aldus Nieman-Kettzlitz.
Grieven 1, 2 en 3zijn gericht tegen het oordeel dat Chassé c.s. Woningborg schadeloos moet stellen voor de kosten van de noodzakelijke werkzaamheden om de buitenkozijnengevels aan de garantienormen te laten voldoen. Volgens Chassé c.s. is dit (reeds) onjuist, vanwege het verlopen van de vervaltermijn uit art. 19.6 GIW (die niet op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid buiten toepassing dient te blijven). Met
de grieven 4, 5 en 6bestrijdt Chassé in de kern het oordeel van de rechtbank dat Chassé niet aan de veroordeling in het arbitrale vonnis heeft voldaan na de werkzaamheden door ITH in december 2011. Meer in het bijzonder gaan deze drie grieven over het volgende.
Grief 4komt op tegen de overweging waarin de rechtbank volgens Chassé c.s. in feite heeft geoordeeld dat de buitenkozijngevels hersteld moeten worden conform het advies van Cauberg-Huygen. Chassé c.s. meent dat het hem op grond van het arbitrale vonnis vrijstond te volstaan met het herstel conform het plan van BAM Wilma.
Grief 5 en 6zijn gericht tegen de (totstandkoming van de) conclusies in het Van den Bergh-rapport en de beoordeling van de rechtbank hiervan. Volgens Chassé c.s. bestaan er diverse formele argumenten waarom het rapport de toets der kritiek niet kan doorstaan en is ook de inhoudelijke conclusie hierin onjuist dat de buitenkozijngevels (thans) niet aan de garantienormen voldoen.
Grief 7komt op tegen de overweging dat Woningborg niet zelf de verantwoordelijkheid voor het herstel van de buitenkozijngevels is gaan dragen op het moment dat zij IHT in 2011 de opdracht tot herstel hiervan gaf.
Grief 8is gericht tegen de weergave door de rechtbank van het verweer dat Chassé c.s. voert – op grond van (onder meer) het NK-rapport – tegen de (omvang van de) door Woningborg gevorderde waarborgkosten.
1, 2 en 3is uitgangspunt dat Chassé c.s. Woningborg niet schadeloos behoeft te stellen op het moment dat laatstgenoemde zonder grondslag in de GIW uitkeringen zou hebben gedaan. Als gezegd meent Chassé dat een dergelijk grondslag (thans) ontbreekt, omdat de VvE’s de vervaltermijn uit art. 19.6 GIW (zie hiervoor, overweging 4) hebben laten verstrijken.
Grief 4berust (grotendeels) op een onjuiste lezing van het bestreden tussenvonnis. Anders dan dat Chassé c.s. stelt, heeft de rechtbank in rechtsoverweging 4.12 niet – ook niet ‘in feite’ – geoordeeld dat Chassé, ingevolge het arbitrale vonnis, de buitenkozijngevels moet herstellen conform het advies van Cauberg-Huygen. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, is Chassé in het arbitrale vonnis veroordeeld tot herstel van de buitenkozijngevels in dier voege dat deze voldoen aan de garantienormen, maar is hem hierbij de vrijheid gelaten om zelf een herstelmethode te kiezen.
methodiekter discussie te stellen, maar ook overwogen dat alle buitenkozijngevels op onjuiste wijze zijn aangebracht en het – als gezegd – de verantwoordelijkheid van Chassé blijft om te zorgen dat deze gevels aan de garantienormen voldoen (zie hiervoor, overweging 15). Na de herstelwerkzaamheden van BAM Wilma (en IHT) is – op grond van het Van den Bergh-rapport – gebleken dat niet alle buitenkozijngevels voldoen aan de garantienormen, omdat slechts incidenteel herstel is uitgevoerd, terwijl generiek herstel geboden was. Dit maakt dat niet kon worden volstaan met incidenteel herstel.
grieven 5 en 6als volgt. Anders dan Chassé c.s. aanvoert, zijn aan Van den Bergh geen strikt juridische vragen voorgelegd. De rechtbank Zeeland-West Brabant heeft weliswaar aan Van den Bergh gevraagd of aan het arbitrale vonnis is voldaan, maar zij heeft daaraan toegevoegd dat zij “
daarmee’’ bedoelde te vragen of de buitenkozijngevels voldeden aan de garantienormen (zie hiervoor, overweging 25). Van den Bergh moet, als technisch deskundige, in staat worden geacht een dergelijke vraag te kunnen beantwoorden. Onjuist is de stelling van Chassé c.s. dat de buitenkozijngevels niet lekken en dat Van den Bergh de door hem beschreven lekkages niet zelf heeft waargenomen, maar slechts heeft gevaren op aanwijzingen van de VvE’s hierover. Uit het Van den Bergh-rapport blijkt immers dat Van den Bergh – in aanwezigheid van alle in de verzoekschriftprocedure betrokken partijen – ter plaatse is geweest en bij meerdere appartementen nog recente lekkages aan de binnenzijde van de ruiten van de buitenkozijngevels heeft waargenomen. Daarnaast heeft Van den Bergh kennis genomen van foto’s en een video, die namens de VvE’s aan hem ter beschikking zijn gesteld, en heeft hij aan enkele bewoners van de woontorens kennelijke vragen over lekkages gesteld. Deze werkwijze noopt niet tot de conclusie dat Van den Bergh zijn werk niet naar beste weten heeft uitgevoerd of dat zijn waarnemingen daarom onjuist zijn. De conclusies van Van den Bergh wegen voor het hof ook zwaarder dan die van Nieman-Kettlitz, nu laatstgenoemde een partijdeskundige is, die bovendien slechts een bureaustudie heeft uitgevoerd. Het hof passeert de stelling dat Van den Bergh ten onrechte niet het gebrek aan onderhoud van de buitenkozijngevels in zijn rapport zou hebben verdisconteerd. Nu het Van den Bergh-rapport een (vermeend) gebrek aan onderhoud niet als oorzaak van de lekkages vermeldt, is er geen aanwijzing dat dit onderhoud enige rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van de lekkages (Chassé heeft in haar reactie in het conceptrapport hier ook geen aandacht voor gevraagd). Het hof merkt hierbij nog op dat de VvE’s al vanaf (direct na) de oplevering van het Chassé Park gewag maken van lekkages aan de buitenkozijngevels, waardoor een gebrek aan onderhoud ook moeilijk de (enige) oorzaak van de problematiek kan zijn.
grief 7betoogt Chassé c.s. dat de rechtbank ten onrechte voorbij gegaan is aan het feit dat, als gevolg van de inschakeling door IHT, de verantwoordelijkheid van het herstel van de buitenkozijngevels door Woningborg is overgenomen. Het is daarom volgens Chassé c.s. niet "
passend’’ dat hij moet betalen voor de "
daardoor geleden schade’’. Dit betoog faalt reeds, omdat Chassé c.s. op grond van art. 22 GIW Pro gehouden is om Woningborg schadeloos te stellen voor alle door haar op grond van art. 19 en Pro 20 GIW verstrekte waarborgen (zie hiervoor, overweging 4). Hieronder vallen ook de kosten van IHT. Daarbij komt dat Woningborg in dit geval IHT formeel de opdracht voor haar herstelwerkzaamheden heeft gegeven, omdat de verstandhouding tussen de VvE’s en Chassé op dat moment verslechterd was (gedurende het pleidooi in hoger beroep heeft de raadsman van Chassé c.s. de constructie geduid als een "
praktische oplossing"). Chassé heeft hiermee ingestemd zonder in dit verband enig voorbehoud te maken. Dat de door IHT uitgevoerde herstelwerkzaamheden – die overigens op voorspraak van Chassé bestonden uit het voltooien van het herstelplan BAM Wilma – niet toereikend zijn gebleken, betekent niet dat de (aanvullende) kosten die Woningborg hiervoor heeft moeten maken, kwalificeren als schade in voormelde zin, althans dat gebleken is dat door deze werkzaamheden schade (aan de buitenkozijngevels) is ontstaan.
Grief 8ziet op de weergave door de rechtbank van stellingen van Chassé c.s. Deze grief kan bij gebrek aan belang onbesproken blijven nu niet duidelijk is hoe hiermee het dictum dan wel enige andere bindende eindbeslissing van de rechtbank wordt bestreden.
Beslissing
- bekrachtigt het bestreden tussenvonnis;
- verwijst de zaak ingevolge artikel 355 Rv Pro naar de rechter in eerste aanleg (de rechtbank Rotterdam) om op de hoofdzaak te worden beslist;
- veroordeelt Chassé c.s. in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Woningborg tot op heden begroot op € 5.200,-- aan griffierecht en € 7.747,50 aan salaris advocaat.