ECLI:NL:GHDHA:2019:316
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging zorgregeling en dwangsom in hoger beroep familierechtelijke zaak
In deze zaak is hoger beroep ingesteld door de vrouw tegen het vonnis van de voorzieningenrechter dat haar veroordeelde tot nakoming van een zorgregeling voor haar minderjarige dochter, vastgelegd in een proces-verbaal van 7 november 2017. De vrouw stelde dat de afspraken een tijdelijk karakter hadden en onder druk tot stand waren gekomen, en dat de zorgregeling onverenigbaar was met het werk van de man en schadelijk voor het kind. Tevens voerde zij aan dat de dwangsom onredelijk hoog was en dat het vonnis geen tijdslimiet bevatte.
De man voerde verweer dat het hoger beroep van de vrouw niet-ontvankelijk was omdat de rechtbank in een bodemprocedure een eindbeslissing had gegeven die de zorgregeling en dwangsom bevestigde. Het hof overwoog dat de afspraken van 7 november 2017 geldig zijn en dat de vrouw het risico draagt voor eventuele inschattingsfouten van haar Belgische advocaat. Het belang van het kind was door de voorzieningenrechter voldoende meegewogen, en de brief van de psycholoog had geen ander oordeel kunnen opleveren.
Het hof wees de grieven van de vrouw af, waaronder die over het contact tussen de man en het kind, de hoogte van de dwangsom en het ontbreken van een tijdslimiet. De dwangsom kan een constructieve bijdrage leveren aan de nakoming van de zorgregeling en is vatbaar voor matiging. De vrouw had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de dwangsom disproportioneel was. Het hof oordeelde dat de voorzieningenrechter bevoegd was en dat de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij elke partij de eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de vrouw tot nakoming van de zorgregeling verplicht en wijst haar vorderingen af.