ECLI:NL:GHDHA:2019:3235
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Hof verklaart zich onbevoegd in nalatenschapszaak erflater met verblijfplaats Suriname
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de kantonrechter over de opheffing van de vereffening van de nalatenschap van een erflater die in 2016 in Suriname is overleden. De erflater had de Nederlandse nationaliteit maar woonde sinds 2008 in Suriname, waar hij ook zijn laatste gewone verblijfplaats had. De nalatenschap is aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving en er is geen vereffenaar benoemd, waardoor de erfgenamen als vereffenaars optreden.
De vereffenaars stelden dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van artikel 4 van Pro de Erfrechtverordening, omdat de erflater volgens hen zijn gewone verblijfplaats in Nederland had op het moment van overlijden. Het hof oordeelde echter dat de feitelijke omstandigheden, zoals het langdurig verblijf in Suriname, het ontbreken van Nederlandse belastingplicht sinds 2008 en het ontbreken van bezittingen in Nederland, wijzen op Suriname als gewone verblijfplaats.
De vereffenaars voerden tevens aan dat de Nederlandse rechter rechtsmacht zou moeten ontlenen aan artikel 11 van Pro de Erfrechtverordening, omdat voortzetting van de procedure in Suriname onredelijk zou zijn. Het hof vond dit onvoldoende onderbouwd en oordeelde dat er geen reden was om te concluderen dat een procedure in Suriname redelijkerwijs niet mogelijk is.
Het hof vernietigde de bestreden beschikking en verklaarde zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot opheffing van de vereffening. Tevens wees het hof het verzoek af om de griffierechten ten laste van de Staat te doen komen.
Uitkomst: Het hof verklaart zich onbevoegd en wijst het verzoek tot opheffing van de vereffening af.