Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
€ 3.000,- zal betalen voor de maanden oktober 2017, november 2017 en december 2017 (dus € 1.000,- per maand). De zaak is - voor zover hier van belang - ten aanzien van de definitieve partnerbijdrage aangehouden teneinde partijen in staat te stellen daarover nadere overeenstemming te bereiken.
Behoefte
Draagkracht
- de voormalige echtelijke woning is verkocht en er hebben aflossingen plaatsgevonden die van invloed zijn op het toekomstige resultaat;
- de man zal voor de voortzetting van de onderneming een extra medewerker moeten aantrekken die hem € 20.000,- per jaar kost;
- in 2018 is een eenmalige bate van € 47.179,- ontvangen wegens afwikkeling van de derivaten, waarmee in het kader van de berekening van de draagkracht van de man geen rekening moet worden gehouden, omdat deze bate waarschijnlijk al in de verdeling wordt betrokken.
- de man toont niet aan dat de verkoop van de voormalige echtelijke woning en aflossingen van invloed zijn op het toekomstig resultaat van de onderneming;
- de man toont niet aan dat hij een extra medewerker moet aantrekken die hem € 20.000,- per jaar zal kosten. De man had altijd al personeelskosten;
- de uitkering derivaten kan wat haar betreft alleen dan buiten de winst uit onderneming gehouden worden als de man toezegt de helft van de uitkering derivaten minus de bij hem geheven extra inkomstenbelasting hierover aan de vrouw te zullen uitkeren, buiten de verdere waardering van de onderneming om;
- de winst uit onderneming 2018 moet worden gecorrigeerd (verhoogd) voor de hoge advies- en accountantskosten met een bedrag van € 5000,-. Deze kosten zien op de echtscheidingsprocedure en dienen buiten beschouwing te blijven bij de berekening van draagkracht van de man;
- de vrouw betwist de gestelde woonlasten;
- de opgevoerde aflossing op schulden is volgens de vrouw onduidelijk.
- de overwaarde van de voormalige echtelijke woning is gebruikt om de zakelijke, met het bedrijfspand verbonden hypothecaire lening van € 900.000,- af te lossen. De man had daarom bij de bank moeten bedingen dat de huidige maandelijkse aflossing van € 3.000,- per maand werd verlaagd naar € 1.449,87 per maand, ofwel € 17.398,43 per jaar. Door de onnodige extra aflossing is de man thans zeven jaar eerder geheel schuldenvrij. Rekening moet daarom worden gehouden met een lagere aflossing van € 17.398,43 per jaar, wat een reëler beeld geeft van het werkkapitaal;
- de man onttrekt te veel aan de onderneming (een totaal van € 64.083,- aan huishoudelijke opnamen, kosten verzekeringen en belastingen en dergelijke). Hierdoor neemt het werkkapitaal sterk af en beïnvloedt de man zijn eigen liquiditeit. Bij de berekening van de draagkracht van de man dient enkel rekening te worden gehouden met een draagkrachtloos inkomen van € 1.735,-;
- de man had moeten anticiperen op de inkomsten uit derivaten en de belasting daarover, zodat deze belasting niet eerst in 2019 als forse kostenpost opgevoerd had hoeven worden.
- een draagkrachtberekening 2018 van de man
- een draagkrachtberekening 2019 van de man
- de aangifte Inkomstenbelasting 2018.
- de conceptjaarcijfers 2018 van de onderneming van de man (productie 1)
- de prognose 2019 van de onderneming van de man (productie 2)
- de leningsovereenkomst met de Rabobank van 16 september 2017 met de daarin uiteengezette schuldenpositie (productie 5)
- de kredietovereenkomst met de Rabobank voor een bedrag van € 85.000,- (productie 6)
- de brief van de Rabobank van 2 oktober 2018 (productie 7) waarin onder meer wordt vermeld dat de liquiditeitspositie van de man onverminderd krap blijft, waardoor zijn onderneming zeer kwetsbaar blijft
- de brief van de Rabobank van 12 september 2019 (productie 17) waarin wordt vermeld:
‘(…) Het resultaat was in 2018 onvoldoende om aan alle (financierings-)lasten en privé uitgaven te kunnen voldoen. Door de eenmalige compensatie inzake herstelkader rentederivaten kon wel aan alle verplichtingen worden voldaan. (……) Op basis van uw prognose ontstaat ook in 2019 een tekort in de exploitatie. (……) Wij maken ons dan ook ernstig zorgen over de continuïteit van uw onderneming en blijven graag in gesprek over de ontwikkelingen binnen uw bedrijf en prive (echtscheiding).’
€ 25.583,- bedragen.
(€ 72.762,-) moet worden meegenomen.
€ 548.000,-. Volgens de bepalingen van de overeenkomst dient de geldlening te worden terugbetaald in termijnen van € 3.000,- per maand, voor het eerst op 31 december 2017. Uit de door de man als productie 8 overgelegde e-mail van de Rabobank van 9 juli 2019 blijkt dat de Rabobank niet bereid is om looptijdverlenging (verlaging van de aflossingen op de lening) toe te staan.
€ 36.224,-.
€ 70.000,-. Betwist wordt dat de man personeelskosten heeft.
Conclusie
1 januari 2018 op nihil;