ECLI:NL:GHDHA:2019:3253
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging eenhoofdig gezag vader en afwijzing zorgregeling moeder
De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank die het eenhoofdig gezag aan de vader toekende en de zorgregeling met de moeder afwees. De minderjarige verblijft sinds 2015 feitelijk bij de vader. De moeder verzocht primair tot gezamenlijk gezag en wijziging van de hoofdverblijfplaats naar haar, subsidiair tot een zorgregeling en een informatieregeling.
Het hof overweegt dat de Nederlandse rechter bevoegd is gezien de gewone verblijfplaats van het kind. Op grond van de wet kan gezamenlijk gezag worden beëindigd indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders. Het hof bevestigt dat de verhouding tussen de ouders ernstig verstoord is en dat het kind geen verandering wenst in de huidige situatie. Daarom bekrachtigt het hof het eenhoofdig gezag van de vader en wijst het verzoek tot wijziging van hoofdverblijfplaats af.
Ten aanzien van de zorgregeling stelt het hof vast dat het contact tussen moeder en kind niet hersteld kan worden ondanks pogingen via instanties. Het kind heeft aangegeven geen behoefte te hebben aan contact, en het hof acht het in strijd met haar belangen om een omgangsregeling op te leggen. Wel wordt een informatieregeling vastgesteld waarbij de vader eenmaal per maand schriftelijk informatie aan de moeder verstrekt. Het verzoek tot consultatieregeling wordt afgewezen wegens de gespannen verhouding tussen ouders.
De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het eenhoofdig gezag van de vader, wijst het verzoek tot wijziging hoofdverblijfplaats en zorgregeling af, en stelt een informatieregeling vast.