ECLI:NL:GHDHA:2019:3267

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
6 november 2019
Publicatiedatum
12 december 2019
Zaaknummer
22-002986-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 588 SvArt. 62a RO
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid van dagvaarding wegens niet juiste betekening in hoger beroep

In deze strafzaak is het hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de politierechter. De zaak werd verwezen naar het gerechtshof Den Haag. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep op 6 november 2019 bleek dat de betekening van de appeldagvaarding niet overeenkomstig de wettelijke voorschriften van artikel 588 Sv Pro had plaatsgevonden.

De dagvaarding was niet uitgereikt op het adres dat in de volmacht tot het instellen van hoger beroep was opgegeven, terwijl dit adres redelijkerwijs als de feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte kon worden beschouwd. Pogingen om de dagvaarding op het BRP-adres van de verdachte te betekenen waren niet geldig, omdat dit adres een penitentiaire inrichting betrof waar de verdachte op dat moment niet verbleef.

De verdachte was niet aanwezig bij de zitting en er was geen aanwijzing dat hij op andere wijze van de zittingsdatum op de hoogte was gesteld. Daarom werd de dagvaarding in hoger beroep nietig verklaard en kon de zaak niet inhoudelijk worden behandeld.

Uitkomst: De dagvaarding in hoger beroep is nietig verklaard wegens niet juiste betekening, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk is.

Uitspraak

Rolnummer: 22-002986-19
Parketnummer: 05-024693-18
Datum uitspraak: 6 november 2019

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 8 mei 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1994,
thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
Verwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag
De zaak is onder rolnummer 21-002881-18 aanhangig gemaakt bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, en vervolgens - op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO) in verband met de “Regeling tijdelijke aanwijzing gerechtshof Den Haag voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2019” (Stcrt. 2019, nr. 22870) - verwezen naar het gerechtshof Den Haag, dat ingevolge genoemde Regeling is aangewezen als ander gerechtshof als bedoeld in artikel 62a, eerste lid, RO.
Nietigheid van de dagvaarding in hoger beroep
Ter terechtzitting in hoger beroep van 6 november 2019 is gebleken dat de betekening van de dagvaarding van de verdachte om op die terechtzitting te verschijnen niet heeft plaatsgevonden overeenkomstig de voorschriften van artikel 588 van Pro het Wetboek van Strafvordering, nu ter terechtzitting in hoger beroep niet is gebleken dat getracht is de dagvaarding op het in de volmacht tot het instellen van hoger beroep opgegeven adres, te weten [adres], aan de verdachte uit te reiken. Dat adres zou immers redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte kunnen gelden. Dat wel is gepoogd de appeldagvaarding uit te reiken op het BRP-adres van de verdachte doet aan het voorgaande niet aan af, aangezien het adres [adres 2] het adres van een penitentiaire inrichting betreft en de verdachte op het moment waarop de betekeningspoging werd gedaan daar niet meer verbleef.
Nu de verdachte niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen en niet is gebleken dat zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte tevoren met de dag van die terechtzitting bekend was, dient de dagvaarding in hoger beroep nietig te worden verklaard.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig.
Dit arrest is gewezen door mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst, mr. W.P.C.M. Bruinsma en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. S. Hartog-Zamani.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 november 2019.