ECLI:NL:GHDHA:2019:3322
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- F. Ibili
- A.E. Sutorius-Van Hees
- M. Th. Linssen-Penning de Vries
- Rechtspraak.nl
Hoofdverblijfplaats minderjarigen en kinderalimentatie na teruggeleidingsbeslissing Poolse rechter
In deze civiele familierechtelijke zaak staat de hoofdverblijfplaats van twee minderjarige kinderen en de vaststelling van kinderalimentatie centraal na een teruggeleidingsbeslissing van de Poolse kinderontvoeringsrechter.
De man, woonachtig in Polen, betwistte de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw in Nederland en stelde dat de kinderen sinds juli 2018 bij hem in Polen woonden. De vrouw stelde dat de kinderen onrechtmatig in Polen werden gehouden en dat hun hoofdverblijfplaats in Nederland moest blijven. Het hof oordeelde dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd was en dat de gewone verblijfplaats van de kinderen op het moment van aanhangig maken in Nederland was. De Poolse rechter had de kinderen teruggegeven aan de moeder, waarna zij weer in Nederland verblijven.
Met betrekking tot de kinderalimentatie stelde de man dat hij geen draagkracht had vanwege een laag inkomen in Polen. De vrouw betwistte dit en stelde dat de man zijn inkomen onvoldoende had onderbouwd. Het hof stelde vast dat de man een herstelbaar inkomensverlies had door zijn keuze om in Polen te werken en ging uit van een draagkracht gebaseerd op het laatst verdiende inkomen in Nederland. De bijdrage werd vastgesteld op €62 per maand per kind vanaf 13 november 2019.
De kosten van het hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. Verzoeken tot vergoeding van reiskosten van de vrouw werden afgewezen omdat deze niet in de alimentatieprocedure thuishoorden.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de hoofdverblijfplaats bij de moeder en wijzigt de kinderalimentatie tot €62 per maand per kind vanaf 13 november 2019.