Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest in kort geding van 12 februari 2019
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
de echtelijke woning aan de [adres TWEE] wordt als volgt verdeeld, waarbij telkens de spaarpolis en de hypothecaire leningen verrekend dienen te worden:
de woning wordt tegen een waarde van € 300.000,- toegedeeld aan de man, onder de voorwaarde dat hij de woning kan financieren met ontslag van de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid;
lukt het de man niet om vóór 1 mei 2018 het aandeel van de vrouw in de echtelijke woning aan hem te doen leveren, dan wordt de woning - indien zij daar dan nog prijs op stelt - aan de vrouw toegedeeld, onder de voorwaarde dat zij binnen drie maanden nadat duidelijk is geworden dat de man het aandeel van de vrouw niet kan overnemen, financieel in staat is het aandeel van de man over te nemen en hem uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan;
bij toedeling aan één van de echtgenoten dient deze bij een voorgenomen besluit tot verkoop binnen drie jaar na de datum van het notariële transport de ander als eerste de woning te koop aan te bieden;
indien geen van partijen de woning kan financieren of wenst over te nemen, dient deze te worden verkocht, waarbij beide partijen over en weer hun volledige medewerking dienen te verlenen aan alle handelingen die nodig zijn om de woning (voor een optimale prijs) te verkopen en aan een derde te leveren. In dat geval dient de eventuele overwaarde, na aflossing van de hypothecaire geldlening en betaling van overige kosten, tussen partijen bij helfte verdeeld te worden. Voor zover sprake is van een restschuld, dient deze door ieder van partijen bij helfte te worden gedragen;
aan de man worden toegedeeld:
de woning aan [adres EEN] , onder de voorwaarde dat hij deze kan financieren met ontslag van de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid en het aandeel van de vrouw in de woning vóór 1 mei 2018 aan hem kan doen leveren;
incidenthet hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de uitvoerbaar bij voorraad van het bestreden vonnis te schorsen totdat op het hoger beroep is beslist.
hoofdzaakvordert de man het hof het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
grief 1betoogt de man dat de voorzieningenrechter de ratio heeft miskend van de termijn die de bodemrechter in de beschikking van 15 december 2017 heeft verbonden aan de levering van het aandeel van de vrouw in de eigendom van de echtelijke woning aan de man. Volgens de grief heeft de bodemrechter beslist dat op de toedeling van deze woning aan de man alleen een uitzondering gemaakt kan worden wanneer de man niet in staat zou blijken de woning te financieren. Deze situatie doet zich volgens de grief niet voor, omdat de man per 1 januari 2018 in dienst is getreden bij een werkgever tegen een bruto maandloon van € 5.500,- exclusief 8% vakantietoeslag, met welk inkomen hij de woning gemakkelijk kan financieren. Naar de grief betoogt ligt het aan de vrouw dat het de man niet is gelukt om de financiering vóór 1 mei 2018 rond te krijgen.
Nu niet in geschil is tussen partijen dat de aan de man gestelde termijn louter was bedoeld om de afwikkeling vlot te laten plaatsvinden(…)’).
Grief 2keert zich tegen rov. 4.2 van het bestreden vonnis, voor zover de voorzieningenrechter daarin de stelling van de man verwerpt dat hij de gestelde termijn voor het rondkrijgen van de financiering van de echtelijke woning niet heeft gehaald vanwege redenen die (enkel) aan de vrouw zijn te wijten. De man voert in appel aan dat hij afhankelijk was van de medewerking van de vrouw om de financiering van de echtelijke woning vóór 1 mei 2018 rond te kunnen krijgen, dat de vrouw zich hiervan bewust was, maar zij desondanks de man heeft tegengewerkt door niet mee te werken aan de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Naar het hof begrijpt houdt de stelling van de man in dat hij zonder deze inschrijving geen financiering kon krijgen voor de echtelijke woning en evenmin dat de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de echtelijke woning kon worden ontslagen.
grief 3aan dat de voorzieningenrechter in rov. 4.2 van het bestreden vonnis ten onrechte ervan is uitgegaan dat het niet meewerken van de vrouw aan de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de aanvraag voor een financiering niet belet. Evenals de voorzieningenrechter onderschrijft het hof het standpunt van de man dat voor een ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de echtelijke woning de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking vereist is. Dat geldt echter niet voor de stelling van de man dat hij door het uitblijven van deze inschrijving geen financiering heeft kunnen krijgen voor de echtelijke woning. Ervan uitgaande dat de man de echtelijke woning toegedeeld wilde hebben, had van hem verwacht mogen worden voortvarendheid te werk te gaan bij het zoveel mogelijk rondkrijgen van een voorlopige financiering van de echtelijke woning. Voor het hof is niet vast komen te staan dat hiervoor de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking noodzakelijk was. Integendeel, blijkt uit een aan de man gerichte emailbericht van 30 augustus 2018 van de hypotheekadviseur van de man (CvA, prod. 17) dat ‘
er altijd ergens een offerte aangevraagd (kan) worden maar dan is de acceptatie altijd onder voorbehoud van de aan te leveren stukken en is het dus altijd onzeker of de bank dan wel of niet de aangevraagde offerte accepteert’. Dat met het aanvragen van hypotheekoffertes kosten zijn gemoeid zonder garantie dat deze offertes ook tot een daadwerkelijke financiering zouden leiden (appeldagvaarding, nr. 46), doet niet af aan de actieve houding die van de man verwacht had mogen worden om de door hem gewenste toedeling van de echtelijke woning financieel rond te krijgen.
opnieuw vertraging (is) ontstaan in de financiële afwikkeling’, maar dat hij inmiddels beschikt over een hypotheekofferte op basis waarvan de bestaande hypothecaire geldleningen verbonden aan de echtelijke woning kunnen worden overgesloten naar een andere bank. Hieruit leidt het hof af dat het nog maar de vraag is of het de man, ook bij een tijdige inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, was gelukt vóór 1 mei 2018 de financiering van de echtelijke woning rond te krijgen.
Grief 4betoogt dat het bestreden vonnis innerlijk tegenstrijdig is. Gelet op de overweging van de voorzieningenrechter in rov. 4.6 dat tussen partijen niet in geschil is dat de aan de man gestelde termijn louter was bedoeld om de afwikkeling vlot te laten plaatsvinden, is het volgens de grief onbegrijpelijk dat de gevolgen van het frustreren door de vrouw om de afwikkeling vlot te laten verlopen door de voorzieningenrechter op de man worden afgewikkeld. Nog afgezien van de vraag of deze grief voldoet aan de eisen die daaraan kunnen worden gesteld, gaat de grief eraan voorbij dat de man, zoals het hof hiervoor heeft overwogen, niet volledig afhankelijk was van de medewerking van de vrouw om de financiering voor de echtelijke woning vóór 1 mei 2018 (eventueel onder voorbehoud) rond te krijgen, en voorts dat de man er zelf voor heeft gekomen om niet eerder dan na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking hypotheekoffertes op te vragen. Kortom, grief 4 faalt.
Grief 5bestrijdt het bestreden vonnis op twee gronden. Voor zover de grief aanvoert dat de voorzieningenrechter de vordering van de man om de vrouw te veroordelen mee te werken aan de levering aan de man van haar aandeel in de echtelijke woning ten onrechte heeft afgewezen, faalt de grief. Gelet op de tevergeefs voorgestelde grieven van de man tegen het bestreden vonnis, had de voorzieningenrechter geen andere beslissing kunnen geven dan een afwijzing van de vordering van de man. Dat de man op 6 september 2018 de financiering van de echtelijke woning en het ontslag van de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid rond zou hebben gekregen, zoals door de man wordt gesteld, doet daaraan niet af. Overeind blijft dat de man niet erin is geslaagd om de financiering vóór 1 mei 2018 rond te krijgen, waarmee niet is voldaan aan een door de bodemrechter gestelde voorwaarde om de echtelijke woning aan hem toe te delen.
Grief 1betoogt dat de voorzieningenrechter in rov. 4.6 en 4.7 van het bestreden vonnis ten onrechte de vorderingen van de vrouw heeft afgewezen die ertoe strekken dat de man wordt veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van woning [EEN] aan een derde. Volgens de grief heeft de voorzieningenrechter zich niet gehouden aan de beslissing van de bodemrechter door op grond van een nieuwe belangenafweging de woning toe te delen aan de man, terwijl op basis van de beslissing van de bodemrechter vast staat dat deze woning aan een derde moet worden verkocht omdat de man ook voor deze woning geen financiering heeft kunnen rondkrijgen vóór 1 mei 2018. Mocht in kort geding wel plaats zijn voor een nieuwe belangenafweging, dan voert de grief aan dat de vrouw belang heeft bij de verkoop en levering van deze woning aan een derde, omdat (i) daarmee de situatie wordt voorkomen dat partijen boven elkaar komen te wonen hetgeen verwarrend is voor het minderjarige kind van partijen, en (ii) de huizenprijzen aanzienlijk zijn gestegen sinds de beslissing van de bodemrechter waardoor het aannemelijk is dat deze woning bij verkoop aan een derde meer zal opleveren dan de € 190.000,- die in de beslissing van de bodemrechter is gehanteerd bij de toedeling van de woning aan een van partijen.
waarbij beide partijen over en weer hun volledige medewerking dienen te verlenen aan alle handelingen die nodig zijn om de woning (voor een optimale prijs) te verkopen enaan een derdete leveren’. (dictum, onder 1; onderstreping, hof)
Grief 2keert zich tegen rov. 4.10 van het bestreden vonnis, waarin de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw om de man te veroordelen een voorschot van € 50.000,- te betalen in verband met de verhuur van woning [EEN] heeft afgewezen. De vrouw heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de man de woning heeft verhuurd zonder toestemming van de bank en zonder medeweten van de vrouw, terwijl hij de huuropbrengsten niet heeft opgegeven tijdens de verdelingsprocedure bij de rechtbank, waardoor hij zijn aandeel in de huurinkomsten verbeurt aan de vrouw. De man erkent dat de woning verhuurd is geweest, maar betwist dat de vrouw daarmee onbekend was. Voorts betwist de man de door de vrouw geschatte huuropbrengsten van ten minste € 50.000,-. Volgens de man komt de vrouw uit hoofde van de huuropbrengsten een bedrag van € 8.761,81 toe.