ECLI:NL:GHDHA:2019:352
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep echtscheiding over geldlening en gemeenschapsschulden
Partijen zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en zijn in scheiding. De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen het vonnis waarin de rechtbank oordeelde dat een geldlening van €60.500,- bij de oom van de man rechtsgeldig is en dat belastingschulden gezamenlijk gedragen moeten worden.
De vrouw betwist dat de leningsovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat het bedrag aan de man is verstrekt. Het hof overweegt dat de man gedetailleerd heeft toegelicht dat de lening is aangegaan, het bedrag is ontvangen en besteed aan gezamenlijke uitgaven zoals bruiloft, auto en huwelijksreis. De vrouw krijgt echter de gelegenheid bewijs te leveren dat de lening niet rechtsgeldig is en het bedrag niet ter beschikking is gesteld.
Ten aanzien van de belastingschulden stelt het hof vast dat deze als gemeenschapsschulden moeten worden beschouwd en dat de vrouw voor de helft draagplichtig is. De vrouw betwist de hoogte niet, maar vindt het onredelijk om mee te betalen. Het hof oordeelt dat dit niet onaanvaardbaar is gezien de gemeenschap van goederen.
Het hof benoemt raadsheren-commissarissen voor het getuigenverhoor en houdt verdere beslissing aan totdat bewijs is geleverd over de geldlening. Proceskosten worden bij eindarrest beslist.
Uitkomst: Het hof staat bewijslevering toe over de geldlening en bevestigt dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de belastingschulden.