ECLI:NL:GHDHA:2019:354
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging vonnis inzake executiegeschil achterstallige kinderalimentatie
Het gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep van de man tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam inzake een executiegeschil over achterstallige kinderalimentatie. De man betwistte de vastgestelde betalingsachterstand en voerde aan dat hij de alimentatie volledig had voldaan, onder meer met een storting van €7.000,- die hij als betaling aanvoerde.
De voorzieningenrechter had de vrouw verboden de beschikking van 18 maart 2015 uit te voeren totdat onherroepelijk was beslist over de betalingsachterstand, maar legde wel op dat de man vanaf oktober 2018 de lopende alimentatie en een bedrag van €350,- per maand als aflossing moest voldoen. De man wilde dit vonnis vernietigd zien en stelde dat hij geen achterstand had.
Het hof oordeelde dat de man niet op inzichtelijke wijze had voldaan aan zijn alimentatieverplichting en dat het bedrag van €7.000,- niet als kinderalimentatie kon worden aangemerkt omdat partijen toen nog getrouwd waren en er geen vaststelling was van het verschuldigde bedrag. De voorzieningenrechter had terecht geoordeeld over de betalingsachterstand en het opleggen van een aflossingsverplichting. De financiële noodtoestand van de man was niet aannemelijk gemaakt. Het hof bekrachtigde het vonnis en compenseerde de proceskosten tussen partijen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de man een betalingsachterstand heeft en een aflossingsverplichting moet nakomen.