ECLI:NL:GHDHA:2019:3655
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Vaststelling partneralimentatie en verdeling gemeenschap na echtscheiding met beoordeling IB-ondernemersinkomen
In deze zaak staat de vaststelling van de partneralimentatie en de verdeling van de gemeenschap tussen partijen centraal na hun echtscheiding in 2011. De man is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam waarin onder meer de partneralimentatie en de verdeling van de gemeenschap zijn vastgesteld. Het hof heeft de feiten van de rechtbank overgenomen voor zover niet betwist.
De man exploiteert een eenmanszaak voortkomend uit een voormalige VOF met de vrouw. Het geschil betreft onder meer de juiste bepaling van zijn inkomen als IB-ondernemer, waarbij het hof het gemiddelde van de winst uit 2018 en de prognose voor 2019 als uitgangspunt neemt. De vrouw heeft een behoefte van €2.705 netto per maand, die onbetwist is. Gelet op de beperkte draagkracht van de man wordt de partneralimentatie vastgesteld op €791 bruto per maand vanaf 16 juli 2019.
Het hof oordeelt dat de vrouw niet aansprakelijk is voor benadeling van de gemeenschap en wijst het verzoek van de man daartoe af. De alimentatie wordt niet beperkt in duur vanwege onvoldoende stelplicht en omstandigheden. De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
De uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldige analyse van het ondernemersinkomen en de financiële positie van partijen bij alimentatiezaken na echtscheiding, waarbij ook rekening wordt gehouden met veranderde omstandigheden zoals het beëindigen van een dienstverband en ziektewetuitkering.
Uitkomst: De partneralimentatie wordt vastgesteld op €791 bruto per maand vanaf 16 juli 2019, overige verzoeken worden afgewezen.