ECLI:NL:GHDHA:2019:3761
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verdeling huwelijksgoederengemeenschap en waardering woning bij echtscheiding
Partijen waren van 1983 tot 1988 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. De man kocht in 1986 een appartementsrecht dat hij verhuurde en later zelf betrok. Na de echtscheiding werd de gemeenschap niet formeel verdeeld, hoewel hierover gesprekken plaatsvonden. In 1995 vroeg een notaris de vrouw om medewerking aan de verdeling, maar zij reageerde niet. De man woonde sindsdien in de woning, betaalde lasten en ontving huurinkomsten.
De man vorderde vernietiging van het vonnis van de rechtbank dat de verdeling regelde, met name over de vraag of sprake was van rechtsverwerking en de peildatum voor waardering van de woning. Het hof oordeelde dat er geen overeenstemming was over de financiële consequenties van de verdeling en dat rechtsverwerking niet kon worden aangenomen omdat de vrouw niet had laten blijken afstand te doen van haar aanspraken.
Verder stelde het hof vast dat de hoofdregel geldt dat de waardering van de woning plaatsvindt op het moment van verdeling. De man kon niet aantonen dat afwijking hiervan op grond van redelijkheid en billijkheid gerechtvaardigd was. De man had geen gebruiksvergoeding betaald maar ook geen bijdrage in de lasten gevraagd, en de huuropbrengsten kwamen volledig aan hem toe. De vorderingen van de man werden afgewezen en het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de verdeling van de woning toe op basis van de waarde ten tijde van de verdeling zonder rechtsverwerking.