Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 30 januari 2019
[X] te [Z] , belanghebbende,
(vertegenwoordigers: J.E. Weststrate en F. Gerrits),
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning met een inhoud van circa 685 m3 en een perceel van ongeveer 484 m2, gelegen aan het water nabij sociale huurflats. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2016 vast op €603.000, gebaseerd op een taxatierapport en een systematische vergelijking met drie vergelijkingsobjecten in de buurt.
Belanghebbende voerde aan dat de waarde te hoog was vastgesteld, onder meer omdat de woning aan haar zoon was verkocht en het taxatierapport ten behoeve van die verkoop was opgesteld, waarbij de woning in bewoonde staat werd opgeleverd. Ook stelde zij dat de ligging nabij sociale woningbouw een lagere grondprijs zou rechtvaardigen.
De Rechtbank Den Haag verklaarde het beroep ongegrond en het Gerechtshof bevestigde dit oordeel. Het Hof achtte de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar en vond dat de heffingsambtenaar de verschillen in ligging, inhoud en staat van onderhoud voldoende had meegewogen. De verkoop aan een familielid en het afwijkende taxatierapport waren onvoldoende om de vastgestelde WOZ-waarde te verlagen.
Het hoger beroep werd daarom afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Belanghebbende kan nog cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad binnen zes weken na verzending van deze uitspraak.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de WOZ-waarde van de woning op €603.000 en wijst het hoger beroep af.