ECLI:NL:GHDHA:2019:462
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over vaststelling kinderalimentatie en draagkrachtberekening ouders
In deze civiele zaak staat de vaststelling van kinderalimentatie centraal na de echtscheiding van partijen. De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen een eerdere beschikking van de rechtbank waarin de man een bijdrage van €121 per maand aan kinderalimentatie werd opgelegd. De vrouw vordert een hogere bijdrage van €1.096 per maand, gebaseerd op een hogere behoefte van de minderjarige en een andere draagkrachtberekening van de man.
Het hof heeft de feiten vastgesteld en de berekeningen van de behoefte van de minderjarige en de draagkracht van beide ouders opnieuw beoordeeld. De behoefte van de minderjarige is vastgesteld op €801 per maand, geïndexeerd €855, waarbij verblijf overstijgende kosten niet apart worden toegevoegd omdat deze reeds zijn verdisconteerd in de systematiek. De draagkracht van de man is berekend op basis van zijn jaarinkomen 2016, vastgesteld op €785 per maand, terwijl de draagkracht van de vrouw is vastgesteld op €579 per maand, rekening houdend met haar feitelijke deeltijdfactor.
Op basis van de gezamenlijke draagkracht en de behoefte van de minderjarige is de bijdrage van de man aan de vrouw vastgesteld op €180 per maand, rekening houdend met een zorgkorting van 35%. Het hof wijst het hoger beroep van de vrouw voor het overige af en compenseert de proceskosten zodanig dat ieder zijn eigen kosten draagt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De man moet vanaf 6 januari 2017 €180 per maand betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.