AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging taakstraf en schadevergoedingsmaatregel met vervangende jeugddetentie
In deze strafzaak stond de verdachte terecht wegens mishandeling van een aangever op 22 juni 2017 te 's-Gravenzande. De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een taakstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen jeugddetentie, met bijzondere voorwaarden waaronder meldplicht en schoolbezoek. Tevens werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd ten behoeve van het slachtoffer.
De verdachte ging in hoger beroep tegen dit vonnis. Het hof heeft het vonnis van de kinderrechter bevestigd, met enkele verbeteringen en aanvullingen. Zo werd het bewijsmiddel van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie geschrapt. Daarnaast werd artikel 63 vanPro het Wetboek van Strafrecht toegevoegd vanwege een eerdere veroordeling van de verdachte na het bewezenverklaarde feit.
Het hof voegde aan de schadevergoedingsmaatregel toe dat bij niet-betaling en verhaal de schadevergoeding kan worden vervangen door vier dagen vervangende jeugddetentie. Deze vervangende jeugddetentie heft de betalingsverplichting niet op. Verder handhaafde het hof het toezicht en begeleiding door de stichting zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming. De wettelijke rente over de immateriële schadevergoeding van €200,- gaat in vanaf de datum van het bewezenverklaarde feit.
Uitkomst: Het hof bevestigt de taakstraf en voegt vier dagen vervangende jeugddetentie toe bij niet-betaling van de schadevergoeding.
Uitspraak
Rolnummer: 22-004600-18
Parketnummer: 09-162070-18
Datum uitspraak: 28 maart 2019
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 15 november 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 2001,
[adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 14 maart 2019.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie, waarvan 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden - kort gezegd - een meldplicht en de verplichting naar school te gaan of in overleg met de Leerplicht te gaan werken, een en ander onder toezicht van de [stichting]. Voorts is in eerst aanleg een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 22 juni 2017, te 's-Gravenzande, gemeente Westland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [aangever] heeft mishandeld door die [aangever] tegen het lichaam te duwen en/of tegen de (onder)benen te trappen/schoppen en/of tegen het gezicht en/of het hoofd te slaan en/of te stompen.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft mondeling gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, met dien verstande dat het hof in het vonnis waarvan beroep de hierna te vermelden verbetering en aanvullingen aanbrengt.
Verbetering gronden
Ten aanzien van de gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring, als vermeld in het vonnis waarvan beroep, dient de volgende verbetering te worden aangebracht.
Het hof schrapt het bewijsmiddel ‘het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 28 augustus 2018’.
Aanvulling van artikel 63 vanPro het Wetboek van Strafrecht
Aangezien de verdachte na de datum waarop het door de eerste rechter bewezenverklaarde feit gepleegd is opnieuw tot een straf is veroordeeld, zal het hof de in het vonnis waarvan beroep aangehaalde wetsartikelen aanvullen met artikel 63 vanPro het Wetboek van Strafrecht.
Aanvulling van de strafmotivering
In aanvulling op de door de eerste rechter gebezigde strafmotivering, heeft het hof acht geslagen op de meest recente rapportage betreffende de verdachte, namelijk het Uitgebreid Advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 28 februari 2019, waarin tevens – overeenkomstig de beslissing van de eerste rechter – wordt geadviseerd toezicht en begeleiding op te dragen aan de [stichting]. Het hof acht dat thans nog steeds aangewezen en zal ook voor wat betreft deze beslissing, de beslissing van de eerste rechter handhaven.
Schadevergoedingsmaatregel
Anders dan de eerste rechter is het hof van oordeel dat aan de schadevergoedingsmaatregel dient te worden toegevoegd dat bij gebreke van betaling en verhaal deze dient te worden vervangen door 4 dagen vervangende jeugddetentie. De toepassing van deze vervangende jeugddetentie heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
Het vonnis waarvan beroep dient derhalve onder verbetering van gronden en voormelde aanvullingen te worden bevestigd.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene en met aanvulling van het onderstaande.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 200,- (tweehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen jeugddetentie, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 22 juni 2017.
Dit arrest is gewezen door mr. J.A.C. Bartels,
mr. C.P.E.M. Fonteijn-Van der Meulen en
mr. H.W. Samson-Geerlings, in bijzijn van de griffier
mr. L.B. Schut.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 maart 2019.
Mr. H.W. Samson-Geerlings is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.