Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaak/rolnummer rechtbank : C/09/519657/KG ZA 16-1158
Arrest d.d. 26 maart 2019
[X Beheer B.V.],
[naam 1],
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Grieven 1, 4 en 10zoomen daarbij met name in op de leer van het gesloten stelsel. [X c.s.] stelt dat de situatie waarin, zoals in dit geval, in twee adviezen cassatie als kansloos wordt ingeschat, gelijk moet worden gesteld aan de situatie waarin geen cassatie openstond. Hij verwijst in dat verband naar de noot van Scholten bij het arrest van de Hoge Raad van 3 december 1971 (NJ 1972/173, ECLI:NL:PHR:1971:AB6788) en de noot van Widdershoven bij het Köbler-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU 30/9/03 C224/01 Jur. 2003 ECLI:EU:C:2003:513). [X c.s.] voert ook aan dat hij destijds door de manifeste misslagen van de Amsterdamse rechters financieel was uitgeput. Volgens [X c.s.] zijn er voorts sterke aanwijzingen dat de leer van het gesloten stelsel is verruimd in het arrest van de Hoge Raad van 4 december 2009 in de zaak Greenworld/Arbiters (HR 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7834).
Grieven 2, 3, 5 tot en met 9zien vooral op (de strekking van) de artikelen 21, 22 en 149 Rv. Met deze grieven klaagt [X c.s.] over het ten onrechte uitblijven van rechtshandhavend optreden tegen de schending van de waarheidsplicht en over het ten onrechte actief toevoegen aan het dossier van “niet-bestaande elementen” door de Amsterdamse rechters. [appellant sub 2] wijst erop dat hij het hele dossier heeft overgelegd en dat het hof dus objectief kan vaststellen dat het dossier geen enkele aanwijzing bevat voor iets van een afspraak over een opschortende of ontbindende voorwaarde ter zake van de herfinanciering. Volgens [X c.s.] ontstond er vanaf het moment dat het duidelijk werd dat [naam 2] met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid had zitten sleutelen aan het verslag van 31 januari 2009 voor de rechter op grond van de artikelen 21 en 24 Rv en EUR Richtlijn 2012/29 een plicht om handhavend op te treden en de vordering toe te wijzen.
kande rechter daaraan consequenties verbinden, maar de rechter is daartoe niet verplicht, laat staan dat de rechter zonder meer verplicht zou zijn om te beslissen in het nadeel van die bewuste procespartij. Een zodanige verplichting vloeit niet voort uit de wet, noch uit de door [X c.s.] genoemde Europese richtlijn noch uit het ongeschreven recht. In dit geval hebben de rechtbank en het hof het door [Y c.s.] in het geding gebrachte verslag buiten beschouwing gelaten en zijn zij, ten gunste van [X c.s.] , uitgegaan van de door [X c.s.] overgelegde versie. Het stond hun vrij dit te doen en [X c.s.] is hierdoor ook niet benadeeld. Van een schending van fundamentele rechtsbeginselen is geen sprake.