ECLI:NL:GHDHA:2019:786
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verplichting vrouw tot betaling helft woonlasten na echtscheiding
De vrouw kwam in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam waarin zij was veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.390,- aan de man, voortvloeiend uit de afspraak dat zij de helft van de woonlasten van de gemeenschappelijke woning zou blijven betalen. De vrouw voerde aan dat de man alleen een vordering op haar zou hebben indien hij de volledige hypotheekrente had voldaan en stelde dat zij tweemaal werd belast voor dezelfde kosten.
Het hof oordeelde dat de afspraak tussen partijen duidelijk was en dat de vrouw haar aandeel in de woonlasten over de maanden april tot en met juli 2016 niet had voldaan. De vrouw werd gehouden tot betaling van het bedrag aan de man, tenzij zij een tegenvordering kon stellen en bewijzen, wat zij niet deed. Ook de stelling dat zij tweemaal werd belast faalde omdat zij niet de benodigde bewijsstukken aanleverde.
Verder wees het hof de vordering van de vrouw tot ontbinding van de overeenkomst af, omdat zij bij het aangaan van de overeenkomst werd bijgestaan door een advocaat en het haar eigen verantwoordelijkheid was om haar belangen duidelijk te maken. Het hof compenseerde de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt, en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de vrouw gehouden is de helft van de woonlasten te betalen en wijst haar grieven af.