ECLI:NL:GHDHA:2019:81
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- A.N. Labohm
- A.H.N. Stollenwerck
- A.E. Sutorius-van Hees
- Rechtspraak.nl
Verdeling restschuld en kosten na beëindiging samenleving en verkoop woning
Partijen hebben van december 2004 tot november 2012 samengewoond en een notariële samenlevingsovereenkomst gesloten waarin hun rechten en plichten omtrent de gemeenschappelijke woning en kosten zijn vastgelegd. De woning werd gefinancierd met een hypothecaire lening bij ING, deels gedekt door de Nationale Hypotheek Garantie (NHG). Na verkoop van de woning in 2013 ontstond een restschuld die deels door NHG werd voldaan.
De rechtbank had [Vrouw EEN] veroordeeld tot betaling van de helft van de restschuld aan [Vrouw TWEE]. In hoger beroep betwistte [Vrouw EEN] deze verdeling, maar het hof bevestigde dat de restschuld conform de eigendomsverhouding gelijkelijk moet worden gedragen. Tevens oordeelde het hof dat [Vrouw TWEE] recht heeft op een executoriale titel voor een eerder erkende vordering van € 3.162,31 die niet in het dictum van een eerder vonnis was opgenomen.
Verder oordeelde het hof dat het niet tijdig vragen van kwijtschelding door [Vrouw TWEE] bij NHG voor haar eigen risico komt en dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. Het bestreden vonnis werd gedeeltelijk vernietigd en herzien voor zover het de executoriale titel betrof, en voor het overige bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof veroordeelt [Vrouw EEN] tot betaling van € 3.162,31 aan [Vrouw TWEE] en bevestigt dat de restschuld gelijkelijk moet worden gedragen.