Appellante stelde de notaris aansprakelijk wegens het niet inschrijven van een in 1992 gepasseerde akte van huwelijkse voorwaarden in het huwelijksgoederenregister. Zij vorderde vergoeding van schade die zij daardoor leed, nadat haar ex-echtgenoot in 2011 in wettelijke schuldsanering was toegelaten.
De rechtbank wees de vordering af wegens verjaring, waarna appellante in hoger beroep ging. Het geschil draaide om de vraag wanneer de verjaringstermijn begon te lopen en of er sprake was van stuiting of uitzonderlijke omstandigheden die de verjaring konden doorbreken.
Het hof oordeelde dat de verjaringstermijn van twintig jaar zes weken na het passeren van de akte van huwelijkse voorwaarden begon te lopen, omdat de notaris verplicht was de inschrijving met spoed te verzorgen en te controleren. Een voortdurende onrechtmatige gedraging werd verworpen, net als stuiting door erkenning. Ook werden geen uitzonderlijke omstandigheden zoals bij asbestschade vastgesteld.
Daarmee was de vordering verjaard en werd het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Appellante werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.