ECLI:NL:GHDHA:2019:991

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
26 april 2019
Publicatiedatum
1 mei 2019
Zaaknummer
BK-18/01058
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 AwrArt. 27e AwrArt. 67d AwrParagraaf 25 Besluit Bestuurlijke Boeten BelastingdienstParagraaf 26 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van aanslagen en vergrijpboete wegens niet doen van aangifte inkomstenbelasting 2013

Belanghebbende werd uitgenodigd om voor het jaar 2013 aangifte te doen van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw). Ondanks meerdere herinneringen en aanmaningen heeft belanghebbende geen aangifte ingediend. De Inspecteur stelde daarom ambtshalve aanslagen vast op basis van een redelijke schatting van het inkomen en legde een vergrijpboete van 50% op wegens het stelselmatig niet doen van aangifte sinds 2003.

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen en boete, maar de Inspecteur handhaafde deze. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd overwogen dat de bewijslast is omgekeerd en verzwaard vanwege het niet doen van aangifte, en dat de Inspecteur een redelijke schatting had gemaakt. De Rechtbank oordeelde tevens dat de boete terecht en passend was opgelegd.

In hoger beroep heeft belanghebbende geen nieuwe gronden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. Het Hof bevestigt daarom de uitspraak van de Rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is op 26 april 2019 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslagen en vergrijpboete worden bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-18/01058

Uitspraak van 26 april 2019

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 19 september 2018, nr. SGR 18/2260.

Overwegingen

1. Bij brief van 6 februari 2015 is belanghebbende uitgenodigd tot het voor het jaar 2013 doen van aangifte voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) en voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw). Op 31 maart 2014 had belanghebbende uitstel verzocht tot het doen van aangifte. Bij brief van 19 februari 2015 is belanghebbende uitstel verleend tot 1 september 2015. Belanghebbende heeft geen aangifte ingediend, ook niet nadat hem bij brief van 29 september 2015 een herinnering is gezonden en bij brief van 28 oktober 2015 een aanmaning. Bij brief van 8 november 2016 heeft de Inspecteur aangekondigd een ambtshalve voor het jaar 2013 vast te stellen aanslag IB/PVV naar (geschatte) bedragen aan belastbaar inkomen van € 30.000 (box 1) en € 8.713 (box 3) op te leggen en heeft hij belanghebbende in kennis gesteld van het voornemen een vergrijpboete van 50 percent op te leggen. Bij brief van 18 november 2016 heeft belanghebbende gereageerd op de aankondiging en de kennisgeving en heeft hij uitstel verzocht voor het motiveren van zijn standpunt, welk verzoek door de Inspecteur bij brief van 22 november 2016 is afgewezen. Aangegeven is ook dat wordt overgegaan tot het opleggen van de aanslag met boete.
2. Gedagtekend 7 december 2016 zijn belanghebbende voor het jaar 2013 een aanslag IB/PVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.713 en bij beschikking een boete van € 1.835 wegens het stelselmatig niet doen van aangifte (belanghebbende doet in elk geval vanaf het jaar 2003 geen aangifte) opgelegd en is bij beschikking € 374 aan belastingrente in rekening gebracht. Gedagtekend dezelfde datum is belanghebbende voor dat jaar een aanslag Zvw naar een bijdrage-inkomen van € 3.588 opgelegd en is bij beschikking € 20 aan belastingrente in rekening gebracht. Bij gezamenlijke uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslagen en beschikkingen gehandhaafd.
3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep bij de Rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 46 is geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
4. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 126 is geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 19 april 2019. De Inspecteur is verschenen. Van de kant van belanghebbende is niemand verschenen. De dag vóór de zitting heeft de griffie om 19.13 uur van belanghebbende een faxbericht met vijf bijlagen ontvangen met het verzoek de zitting te verplaatsen naar een latere datum, welk verzoek het Hof afwijst, omdat al een eerdere zittingsdatum op verzoek van belanghebbende is verplaatst en het Hof in de inhoud van het faxbericht dan wel anderszins in de gedingstukken geen reden ziet belanghebbende wederom tegemoet te komen. Het belang van de voortgang van de procedure weegt zwaarder.
6. De Rechtbank heeft overwogen:
"(…)
7. In geschil is of de aanslagen en de belastingrente naar de juiste bedragen zijn vastgesteld en of de vergrijpboete terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.
8. [ Belanghebbende] heeft het standpunt ingenomen dat [de Inspecteur] de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank volgt [belanghebbende] hierin niet. [De Inspecteur] heeft belanghebbende] voldoende in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Hij heeft [belanghebbende] bij brieven van 8 maart 2017 en 20 juni 2017 uitgenodigd om het bezwaar mondeling toe te lichten door een afsprak te maken. [Belanghebbende] heeft daarvan geen gebruik gemaakt; dit komt voor rekening van [belanghebbende].
9. Vaststaat dat [belanghebbende], ook na daartoe te zijn aangemaand, geen aangifte IB/PVV voor het jaar 2013 heeft ingediend. Aldus heeft [belanghebbende] niet de vereiste aangifte gedaan als bedoeld in artikel 8 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). Aangezien [belanghebbende] niet de vereiste aangifte heeft gedaan, wordt ingevolge het bepaalde in artikel 27e, eerste lid, van de Awr, de bewijslast omgekeerd en verzwaard. Dit brengt mee dat het beroep van [belanghebbende] ongegrond moet worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. [Belanghebbende] dient daarom overtuigend aan te tonen dat de uitspraak op bezwaar niet in stand kan blijven.
10. Naar het oordeel van de rechtbank is [belanghebbende] daarin niet geslaagd. [Belanghebbende] heeft slechts gesteld dat de aanslag te hoog is vastgesteld maar heeft dit verder niet nader gemotiveerd en ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de aanslag te hoog is vastgesteld.
11. De omkering en verzwaring van de bewijslast laat evenwel onverlet dat [de Inspecteur] gehouden is bij het ambtshalve vaststellen van de aanslag uit te gaan van een redelijke schatting van het inkomen van [belanghebbende]. Voor het bepalen van het belastbare inkomen uit werk en woning heeft [de Inspecteur] zich gebaseerd op de hem ter beschikking staande loongegevens met een totaal bedrag aan loon van € 26.412 en hij heeft dit bedrag afgerond op € 30.000. De rechtbank acht de schatting op € 30.000 redelijk gelet op het feit dat [belanghebbende] geen gegevens heeft verstrekt en ook overigens niets heeft aangevoerd omtrent zijn werkzaamheden en zijn inkomen. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen is door [de Inspecteur] gebaseerd op renseignementen van derden en hij is voor de waarde van de panden die behoren tot vermogen in box 3 uitgegaan van de voor die panden vastgestelde woz-waarden. De rechtbank acht dit alleszins redelijk De aanslag berust naar het oordeel van de rechtbank dan ook op een redelijke schatting. Het beroep tegen de aanslagen is daarom ongegrond verklaard.
12. [ De Inspecteur] heeft de boete opgelegd op grond van artikel 67d van de AWR en paragraaf 25 en 26 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Op grond van deze bepalingen wordt een vergrijpboete van 50 procent wordt opgelegd als de belastingplichtige opzettelijk geen of een onjuiste of onvolledige aangifte doet. [De Inspecteur] heeft aangevoerd dat [belanghebbende] vanaf 2003 geen aangifte heeft ingediend, terwijl [belanghebbende] aan de verplichting tot het doen van aangifte steeds werd herinnerd en daartoe steeds werd aangemaand. Naar het oordeel van de rechtbank is de boete terecht opgelegd en is deze passend en geboden. Er zijn geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken die aanleiding zouden kunnen geven de boete te matigen of te vernietigen.
13. Tegen de belastingrente heeft [belanghebbende] geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat de belastingrente op onjuiste wijze is berekend of in strijd met enige regel in rekening is gebracht.
14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."
7. In hoger beroep is het geschil niet anders dan voor de Rechtbank.
8. Naar 's Hofs oordeel heeft de Rechtbank met betrekking tot alle onderdelen van het geschil op goede gronden begrijpelijk en juist geoordeeld. Belanghebbende heeft, ook in aanmerking nemend het in punt 5 genoemde faxbericht met bijlagen, niets aangevoerd dat rechtvaardigt op enig punt anders te oordelen.
9. Het hoger beroep is ongegrond.
10. Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is 26 april 2019 in het openbaar uitgesproken.
aangetekend aan
partijen verzonden:
Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kanbinnen zes wekenna de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

-
- de naam en het adres van de indiener;
-
- de dagtekening;
-
- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.