Belanghebbende werd uitgenodigd om voor het jaar 2013 aangifte te doen van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw). Ondanks meerdere herinneringen en aanmaningen heeft belanghebbende geen aangifte ingediend. De Inspecteur stelde daarom ambtshalve aanslagen vast op basis van een redelijke schatting van het inkomen en legde een vergrijpboete van 50% op wegens het stelselmatig niet doen van aangifte sinds 2003.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen en boete, maar de Inspecteur handhaafde deze. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd overwogen dat de bewijslast is omgekeerd en verzwaard vanwege het niet doen van aangifte, en dat de Inspecteur een redelijke schatting had gemaakt. De Rechtbank oordeelde tevens dat de boete terecht en passend was opgelegd.
In hoger beroep heeft belanghebbende geen nieuwe gronden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. Het Hof bevestigt daarom de uitspraak van de Rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is op 26 april 2019 in het openbaar uitgesproken.