De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van haar twee minderjarige kinderen, welke sinds 2015 onder toezicht staan en sinds 2018 uit huis zijn geplaatst. Zij stelt dat de omstandigheden zijn verbeterd, zij een stabiele woon- en leefsituatie heeft en dat de uithuisplaatsing niet langer noodzakelijk is. Zij verzoekt vernietiging of bekorting van de machtiging en subsidiair een onderzoek naar thuisplaatsing.
De gecertificeerde instelling (GI) stelt dat ondanks de liefde van de moeder voor haar kinderen, haar psychische problematiek en laag IQ in combinatie met de problematiek van de kinderen het thuisplaatsen niet verantwoord maken. De GI wijst een NIFP-onderzoek af vanwege de zorgvuldige multidisciplinaire besluitvorming en het belang van de kinderen.
Het hof overneemt de feiten en oordeelt dat de wettelijke vereisten voor verlenging van de machtiging uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn. Hoewel de moeder grotendeels aan de gestelde bodemeisen voldoet, zijn er nog zorgen over haar opvoedvaardigheden en verloopt de omgang met de kinderen nog steeds begeleid. Het hof constateert dat de GI de instructie van de kinderrechter om ambulante hulpverlening in te zetten niet heeft opgevolgd en beveelt alsnog snelle inzet hiervan. Het verzoek tot een NIFP-onderzoek wordt afgewezen omdat dit niet tijdig tot een beslissing kan leiden.
De bestreden beschikking wordt bekrachtigd en het hoger beroep wordt afgewezen.