Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 14 april 2020
[appellant],
Het geding
Feiten
is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de kosten van bestaan van eiser. Op grond van de beschikbare gegevens en de ter zitting door eiser gegeven uitleg acht de rechtbank aannemelijk dat eiser buiten eigen toedoen in een (….) penibele financiële situatie is komen te verkeren als gevolg waarvan hij een beroep heeft moeten doen op de bijzondere bijstand. (….) De rechtbank betrekt voorts bij haar oordeel dat eiser ter zitting heeft toegelicht dat hij de huur van de woning aan de [adres 1] niet langer kon opbrengen, omdat hij geen huurtoeslag ontving.Dat kwam doordat hij zich niet op dat adres kon inschrijven vanwege de inschrijving van een Afrikaans gezin op dat adres. Als gevolg daarvan is de huurovereenkomst ontbonden. Wat betreft de woning aan de [adres 2] (…), [plaatsnaam 2] die eiser huurde (….) heeft eiser (…) ter zitting toegelicht dat hij vanwege zijn echtscheiding in financiële problemen is geraakt en vervolgens de huur van de woning niet langer kon opbrengen (…).De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de verklaringen van eiser over de gang van zaken rond zijn huurachterstanden te twijfelen. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser gelet op de hiervoor omschreven omstandigheden geen tekortschietend besef van verantwoordelijkheid worden verweten. (…)”
Eerste aanleg
- i) een verklaring voor recht dat de Gemeente onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld (naar het hof begrijpt: door hem niet in te schrijven op het adres [adres 1] te [plaatsnaam 2] en door hem aanvankelijk geen bijzondere bijstand te verlenen);
- ii) een verklaring voor recht dat de Gemeente aansprakelijk is voor de gevolgen van de door de Gemeente genomen onrechtmatige besluiten van 21 april 2015, 7 september 2015 en 7 maart 2016 (met betrekking tot de aanvragen van [appellant] tot het verlenen van bijzondere bijstand);
- iii) de veroordeling van de Gemeente tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 11.577,31, althans een schadevergoeding op te maken bij staat, te vermeerderen met rente vanaf 1 april 2013 (dag van ontruiming van de [adres 1]), althans vanaf 25 augustus 2016, althans vanaf 2 juni 2017;
Beoordeling in appel
grief 1betoogt [appellant], kort samengevat, dat hij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, zijn stellingen voldoende heeft onderbouwd en voorshands het bewijs van die stellingen heeft geleverd.
Grief 2houdt in dat de juistheid van de stellingen van [appellant] met de overweging van de bestuursrechter (zie alinea 1.5. hierboven, met name de laatste onderstreepte zin) een vaststaand gegeven is. In elk geval is deze uitspraak reden om te concluderen dat [appellant] voldoende heeft gesteld om tot bewijs toegelaten te mogen worden. Volgens [appellant] was er ook alle grond om te komen tot een omkering van de bewijslast.
Grief 3bouwt op de voorgaande grieven voort. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling en worden in de beoordeling hierna betrokken.
“eind 2011”heeft geprobeerd zich in te schrijven bij een Dienst Burgerzaken van Den Haag. Een concrete datum of concrete locatie heeft hij destijds niet genoemd. In appel heeft [appellant] verklaard dat de gang van zaken als volgt is geweest:
“[appellant] had toen nog geen brief ontvangen inzake de gemeentelijke toekenning[van bijzondere bijstand, hof].
Inschrijven bleek niet mogelijk, aldus de mannelijke medewerker achter de balie.”
“geen aanleiding ziet om aan de juistheid van de verklaringen van (…)[[appellant], hof]
over de gang van zaken rond zijn huurachterstanden te twijfelen”is daartoe onvoldoende. Deze zin moet worden bezien in de context van de uitspraak. De rechtbank heeft niet overwogen dat vaststaat dat [appellant] de Gemeente (meermalen) heeft verzocht tot inschrijving en dat de Gemeente dat heeft geweigerd (nog daargelaten of dat zonder meer zou meebrengen dat het hof hieraan gebonden zou zijn).
“de leidinggevende van de Dienst Burgerzaken van de gemeente Den Haag in de periode eind 2011-begin 2012”(memorie van grieven onder 4.1.) en van mevrouw [medewerkster] van het daklozenloket (akte onder 11). Onduidelijk is waarom deze personen in staat zouden zijn de hierboven onder 12 vermelde stellingen van [appellant] deels of geheel te bevestigen, althans daaromtrent iets te verklaren dat als een begin van bewijs als hiervoor bedoeld zou kunnen gelden; [appellant] licht dat ook niet toe. Ten aanzien van de genoemde leidinggevende stelt [appellant] slechts dat deze een verklaring kan afleggen over de werkwijze van de ambtenaren in genoemde periode, maar dat is te vaag en onvoldoende relevant. Uit de stukken blijkt voorts dat de contacten van [appellant] met het daklozenloket dateren van ruim ná 2011/2012. Voor zover al geoordeeld zou moeten worden dat [appellant] zijn stellingen voldoende heeft onderbouwd, geldt daarom dat het bewijsaanbod van [appellant] daarom als niet ter zake dienend en/of onvoldoende gespecificeerd gepasseerd moet worden nu onvoldoende is gebleken dat over de relevante periode kan worden verklaard. [appellant] heeft ook nog geklaagd over het “intern langs elkaar heen werken” van gemeentelijke instanties, maar onduidelijk is wat dat te maken heeft met de gestelde weigering tot inschrijving.
“aantasting van de persoon”in de zin van artikel 6:106 Burgerlijk Pro Wetboek.