ECLI:NL:GHDHA:2020:1261
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verzoek tot faillietverklaring wegens beschermingsbewind
In deze zaak is hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Rotterdam die het verzoek tot faillietverklaring van de geïntimeerde heeft afgewezen en appellante 1 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Appellanten voerden aan dat de beschermingsbewindvoerder toestemming had gegeven voor het verzoek, maar het hof oordeelde dat medeweten en instemming van de bewindvoerder onvoldoende is om het verzoek zelf in te dienen.
Daarnaast werd betwist of de schuldenaar daadwerkelijk in staat van faillissement verkeert. De vorderingen waarop het verzoek is gebaseerd, zijn niet summierlijk vastgesteld, mede omdat de tegenvordering van de schuldenaar niet op voorhand onaannemelijk was en de toepasselijke CAO niet was overgelegd. Ook de steunvordering van de Belastingdienst werd betwist.
Het hof concludeerde dat niet is voldaan aan de vereisten voor faillietverklaring en bekrachtigde de beschikking van de rechtbank. Appellanten werden veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank had appellante 1 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, maar dit deed niet af aan het oordeel dat het verzoek niet ontvankelijk was wegens het ontbreken van het formele procesrecht van de bewindvoerder.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot faillietverklaring en veroordeelt appellanten in de proceskosten.