Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 14 juli 2020
[appellant] ,
Wasserman Netherlands Management B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Adviseren en bemiddelen bij het tot stand komen en verlengen van overeenkomsten tussen sportbeoefenaars enerzijds en derden anderzijds, met name die overeenkomsten, waaruit voor de sportbeoefenaars financieel voordeel voortvloeit, zoals terzake van transfer, sponsoring en reclame”.
de Speler[ [de voetballer] , hof]
gedurende de duur van deze overeenkomst zal vertegenwoordigen bij onderhandelingen betreffende de totstandkoming van spelerscontracten en/of overeenkomsten betreffende de overschrijving van de Speler.
ten behoeve van een transfer naar een andere betaald voetbal organisatie (…), Football Consult in te schakelen als intermediair, teneinde de transfer van de Speler te bewerkstelligen. (…) Ter voorkoming van misverstanden: indien de Arbeidsovereenkomst wordt verlengd en/of vernieuwd zonder dat Football Consult daarbij betrokken is, geldt de hiervoor bedoelde verplichting van Feyenoord en de hieronder in artikel 2 opgenomen Pro vergoedingsplicht niet.
”
[de collega-intermediair] , handelende vanuit Wasserman Netherlands Management B.V. (...), in zijn hoedanigheid van KNVB geregistreerd intermediair”. [de intermediair] vroeg de arbitragecommissie onder meer om de volgende beslissingen:
[de collega-intermediair] , handelende voor rekening en risico van Wasserman Netherlands Management B.V.” (als verweerders).
de grieven I, II, III en V
Het hof vindt hierbij het volgende van belang. Arbitrage is alleen mogelijk tussen partijen voor wie een arbitraal beding geldt. Een arbitraal beding kan zijn overeengekomen tussen partijen maar kan ook zijn opgenomen in statuten of reglementen waaraan partijen gebonden zijn. Zo is de bevoegdheid van de arbitragecommissie KNVB voor het arbitrale vonnis van 7 maart 2018 gebaseerd op artikel 9 van Pro het KNVB Reglement Intermediairs. Stel nu dat een formele procespartij in de arbitrale procedure optreedt (mede) ten behoeve van een ander, die als materiële procespartij kan worden beschouwd. Het kan zijn dat het arbitraal beding ook geldt voor de materiële procespartij, maar dat hoeft niet zo te zijn. Ten tijde van de arbitrageprocedure die tot het vonnis van 7 maart 2018 heeft geleid, was Wasserman niet als intermediair geregistreerd bij de KNVB en voor haar gold het arbitraal beding van het KNVB-reglement dus niet. Dat betekende dat [de intermediair] de arbitrage niet tegen Wasserman als formele procespartij kon voeren. De arbitragecommissie zou zich dan onbevoegd moeten verklaren. Om die reden zou het vreemd zijn als de arbiters indirect toch bevoegd zouden zijn om beslissingen te nemen waaraan tussen [de intermediair] en Wasserman gezag van gewijsde toekomt.
grieven I tot en met IIIbestrijdt [de intermediair] het oordeel van de rechtbank dat Wasserman zich kan beroepen op het gezag van gewijsde van het arbitrale vonnis. Met
grief Vkeert [de intermediair] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat als Wasserman partij was geweest in de arbitrale procedure, de vorderingen van [de intermediair] ook tegen Wasserman zouden zijn afgewezen en dat die vorderingen om die reden niet door de burgerlijke rechter getoetst kunnen worden. Deze grieven kunnen niet leiden tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank. Want het hof volgt weliswaar, door het tot uitgangspunt nemen van het arbitrale vonnis, een iets andere redenering dan de rechtbank maar komt niet tot een andere conclusie.
de grieven IV en VI
grief IVklopt het niet dat [de intermediair] in deze procedure aan zijn vordering tegen Wasserman nagenoeg dezelfde verwijten ten grondslag heeft gelegd als de stellingen die hij heeft ingenomen bij de arbitragecommissie om zijn vorderingen tegen [de voetballer] , Feyenoord en [de collega-intermediair] te onderbouwen.
Grief VIgaat erover dat de arbitragecommissie de afwijzing van de vorderingen tegen [de collega-intermediair] in de kern erop heeft gebaseerd dat [de voetballer] bevoegd was tot opzegging van de eerste overeenkomst en dat [de intermediair] aan de tweede overeenkomst geen rechten kan ontlenen. Volgens [de intermediair] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat, gelet op de gemotiveerde betwisting door Wasserman van de stellingen van [de intermediair] , niet is komen vast te staan dat dit oordeel van de arbitragecommissie onjuist is.
grief IVaan dat hij de afgelopen periode steeds meer bewijs boven tafel heeft gekregen waaruit blijkt dat het arbitraal vonnis op onwaarheden berust. Zo is volgens [de intermediair] duidelijk geworden dat [de voetballer] al in de zomer van 2016 wanprestatie pleegde tegenover hem door het ondertekenen van een ‘Power of Attorney’ waarin hij een andere intermediair een exclusief mandaat gaf om voor hem een transfer tot stand te brengen. Ook de verklaringen van [de voetballer] over het ondertekenen van de tweede vertegenwoordigingsovereenkomst zijn volgens [de intermediair] inmiddels aantoonbaar onjuist gebleken. Ook over Wasserman zijn volgens hem nieuwe feiten aan het licht gekomen. Zo staat inmiddels vast dat Wasserman al direct vanaf eind augustus 2016 is overgegaan tot het begeleiden van [de voetballer] en staat nu ook vast dat de verklaringen van [de collega-intermediair] over de betrokkenheid van de heer [naam 1] bij de transfer van [de voetballer] naar AS Monaco niet juist zijn.
grief IV. [de intermediair] heeft het alleen over nieuwe bewijzen. Dat wil echter niet zeggen dat hij wezenlijk andere verwijten ten grondslag legt aan zijn vorderingen tegen Wasserman dan de stellingen in de arbitrageprocedure tegen [de voetballer] , [de collega-intermediair] en Feyenoord. Die verwijten komen erop neer dat [de voetballer] niet de vrijheid had zich te onttrekken aan zijn overeenkomst(en) met [de intermediair] en dat Wasserman onrechtmatig handelde door [de voetballer] ertoe te bewegen de relatie met [de intermediair] te verbreken. Dat zijn in feite precies hetzelfde verwijten als de verwijten uit de arbitrageprocedure. Daarover voert [de intermediair] niets nieuws aan.
grief VI. De kern van het oordeel van de arbiters hield in dat [de voetballer] bevoegd was tot opzegging van de eerste overeenkomst en dat [de intermediair] aan de tweede overeenkomst geen rechten kan ontlenen. Die kern moet ook in deze procedure tegen Wasserman tot uitgangspunt worden genomen (zie hiervoor, onder 13 tot en met 17). Wat [de intermediair] in de toelichting op grief VI aanvoert, vormt geen reden om van dat uitgangspunt af te wijken, nu [de intermediair] niet heeft gesteld, laat staan aannemelijk heeft gemaakt, dat het oordeel van de arbiters een fout of vergissing is die in de verhouding tussen [de intermediair] en [de voetballer] ongedaan is of wordt gemaakt. Zoals [de intermediair] zelf onderkent, heeft de arbitragecommissie met zoveel woorden rekening gehouden met de mogelijkheid dat [de voetballer] , anders dan hij stelt, heeft ingestemd met de tweede vertegenwoordigingsovereenkomst. Het hof leidt daaruit af dat voor de arbitragecommissie de ontkenning door [de voetballer] dat hij met de tweede overeenkomst had ingestemd, niet doorslaggevend was.
grief VII
grief VII. Het hof verwerpt ook deze grief. [de intermediair] verwijt Wasserman, kort gezegd, dat zij [de voetballer] heeft geadviseerd de overeenkomst met [de intermediair] op te zeggen en daarbij heeft geholpen, en dat zij [de voetballer] reeds eind augustus 2016 als intermediair bijstond. [de intermediair] maakt niet duidelijk waarom deze (gestelde) handelingen van Wasserman dan onrechtmatig zouden zijn. [de intermediair] spreekt ook hier van ‘het aanzetten tot contractbreuk’ (memorie van grieven, 8.3), maar dat klopt niet als ervan wordt uitgegaan dat [de voetballer] niet verplicht was om [de intermediair] nog langer als intermediair te houden. Als [de voetballer] de vrijheid had om zijn relatie met [de intermediair] te beëindigen, ziet het hof niet in waarom Wasserman daarover niet zou mogen adviseren of daarbij niet zou mogen helpen. Ook ziet het hof niet in waarom Wasserman vervolgens [de voetballer] niet zou mogen bijstaan als intermediair. Zelfs als Wasserman daarbij aan [de voetballer] onjuiste mededelingen heeft gedaan over bepaalde transfermogelijkheden, zoals [de intermediair] nog aanvoert, is dat niet (zonder meer) onrechtmatig tegenover [de intermediair] . De stellingen van [de intermediair] zijn dus onvoldoende gemotiveerd, waardoor die (betwiste) stellingen niet zijn komen vast te staan.
grief VIII