ECLI:NL:GHDHA:2020:1364
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Verdeling van schulden en draagplicht bij echtscheiding met finaal verrekenbeding
Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een finaal verrekenbeding en zijn inmiddels gescheiden. De man vordert dat de leningen bij zijn BV, gebruikt voor de financiering van de eigen woning en de rekening-courantschuld, als gemeenschappelijke schuld worden aangemerkt, zodat de vrouw mede aansprakelijk is.
Het hof overweegt dat de vrouw als mede-eigenaar en advocaat bekend was met de omvang en bestemming van de eigenwoningschuld, welke zij ook in haar belastingaangifte heeft vermeld. Daarom is zij voor de helft draagplichtig. De woning is belast met een hypotheek bij de bank en een lening aan de BV; beide schulden moeten door partijen naar rato worden voldaan.
Ten aanzien van de rekening-courantschuld stelt het hof vast dat deze is ontstaan door het consumptieve uitgavenpatroon van beide partijen, waaronder luxe goederen en diensten. Gezien het negatieve vermogen en het gezamenlijke leefpatroon is het niet redelijk dat de man alleen aansprakelijk is. De vrouw is daarom gehouden € 500.000 te vergoeden zodra de man de schuld volledig heeft afgelost.
De vrouw had een beroep gedaan op vernietiging van de leningen wegens artikel 1:88 BW Pro, maar het hof oordeelt dat dit niet van toepassing is omdat de woning niet is vervreemd of bezwaard. De beschikking van de rechtbank wordt voor het overige bekrachtigd en het hof verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De vrouw is voor de helft draagplichtig voor de eigenwoningschuld en voor €500.000 van de rekening-courantschuld aan de BV.