ECLI:NL:GHDHA:2020:1709
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek ondertoezichtstelling minderjarigen door gerechtshof Den Haag
De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de kinderrechter die haar minderjarige kinderen onder toezicht stelde van een gecertificeerde instelling. De moeder betwistte de noodzaak van gedwongen hulpverlening voor drie van haar kinderen, terwijl zij het hoger beroep voor de oudste introk.
Het hof onderzocht de ontvankelijkheid van het hoger beroep en stelde vast dat de moeder pas op 17 april 2020 kennis had genomen van de beschikking, waardoor het beroep tijdig was ingesteld. De moeder werd niet-ontvankelijk verklaard voor het hoger beroep betreffende de oudste minderjarige wegens intrekking.
Ten aanzien van de overige drie minderjarigen stelde het hof vast dat onvoldoende objectiveerbare gronden aanwezig waren voor een ondertoezichtstelling. Hoewel er zorgen waren over het gedrag van een van de kinderen, was er geen sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en was vrijwillige hulpverlening mogelijk. Het hof vernietigde de bestreden beschikking en wees het verzoek tot ondertoezichtstelling af.
De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De uitspraak werd gedaan door drie rechters van het gerechtshof Den Haag op 16 september 2020.
Uitkomst: Het hof vernietigt de ondertoezichtstelling van drie minderjarigen en wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling af; het hoger beroep voor de oudste minderjarige wordt niet-ontvankelijk verklaard.