De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de ondertoezichtstelling van haar minderjarige kind door de gecertificeerde instelling, opgelegd door de kinderrechter. De moeder betwistte dat zij zonder haar medeweten het verzoek tot ondertoezichtstelling werd ingediend tijdens haar afwezigheid in het buitenland en stelt dat er onvoldoende adequaat onderzoek en hulpverlening is verricht.
Het hof constateert dat de moeder en de minderjarige zich tijdens de zitting in eerste aanleg in het buitenland bevonden, wat niet in het proces-verbaal was vermeld, en dat dit tekort is gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor. Het hof erkent de ernstige problematiek van de minderjarige, waaronder een verstandelijke beperking en autisme, en de betrokkenheid van de moeder bij de hulpverlening.
Het hof oordeelt dat de gecertificeerde instelling tot op heden onvoldoende stappen heeft gezet om passende hulp en dagbesteding te realiseren, wat heeft geleid tot een ernstig gebrek aan vertrouwen tussen moeder en instelling. Daarom wordt de zaak aangehouden tot een nader te bepalen datum in november 2020, waarbij de instelling zich zal inspannen voor nader onderzoek, betaling van een eerder uitgevoerd onderzoek en het vinden van passende dagbesteding.